Analogon van thiazidediureticum zonder diuretische werking. Verhoogt de bloedglucosespiegel door remming van de insuline-afgifte door de pancreas, stimulering van de afgifte van catecholaminen en/of door verhoging van de hepatische afgifte van glucose.
De halfwaardetijd bij kinderen van 4 maanden tot 6 jaar verschilt van 9,5 tot 24 uur bij langetermijngebruik van de orale dosering. Bij volwassenen bedraagt de halfwaardetijd 24-36 uur na orale toediening [SmPC Proglicem].
Bovendien vond een populatie-PK-model een halfwaardetijd van 15±5,3 uur (bereik 5,9-27,7) na orale toediening bij kinderen van 0,1-15,2 jaar (mediaan 4,3 jaar) met hyperinsulinemische hypoglykemie [Kizu 2017].
Congenitaal hyperinsulinisme: On-label
Toon SmPC tekst Toon SmPC tekstCapsule 100 mg
Capsule 5 mg, 25 mg (doorgeleverde bereidingen)
In combinatie met een diureticum (chloorthiazide, furosemide) bij vochtophoping.
| Hyperinsulinisme |
|---|
|
GFR ≥10 ml/min/1.73m2: aanpassing van de dosering is niet nodig.
GFR <10 ml/min/1.73m2: een algemeen advies kan niet worden gegeven.
Aangezien de halfwaardetijd langer is bij een verminderde nierfunctie, moet worden overwogen om de dosis te verlagen en de serumelektrolyten te controleren [SmPC Proglicem].
Vochtretentie, hypertrichosis, pulmonale hypertensie, hartfalen en neutropenie, meeste symptomen verdwijnen na staken therapie. Hirsutisme van het lanugo-type. Gastro-intestinale reactie. Trombocytopenie. Stemveranderingen en abnormale gezichten (bij langdurige behandeling). Verlaagde immunoglobulinen (IgG). Necrotiserende enterocolitis.
[SmPC Proglicem] [SmPC Eudemine] [Chen 2021] [Duggal 2024]
Cardiovasculair: natrium- en vochtretentie, hartfalen (bij patiënten met beperkte cardiale reserve), tachycardie, palpitaties, hypotensie, tijdelijke hypertensie, pijn op de borst. Bij kinderen, zuigelingen en neonaten is gemeld: pulmonale hypertensie.
Gastro-intestinaal: anorexie, tijdelijk verlies van smaak, misselijkheid, braken, buikpijn, ileus, diarree. Bij pasgeborenen is gemeld: necrotiserende enterocolitis (in sommige gevallen met fatale afloop).
Bloed: diabetische ketoacidose, hyperosmolair non-ketotisch coma, hyperglykemie, glucosurie, trombocytopenie (met of zonder purpura), neutropenie, eosinofilie, excessief bloeden, verhoogde serumurinezuurspiegels, verlaagd hemoglobine of hematocriet, verlaagd IgG.
Hepato-renaal: nierinsufficiëntie, verlaagde creatinineklaring, (reversibel) nefrotisch syndroom, verlaagde urineproductie, hematurie, albuminurie, verhoogde ASAT-spiegels en alkalische fosfatase.
Neurologisch: hoofdpijn, angst, duizeligheid, insomnia, polyneuritis, paresthesie, extrapiramidale verschijnselen.
Oog: subconjunctivale hemorragie, ringscotoom, troebele visus, dubbelzien, lacrimatie. Bij baby's is cataract waargenomen; dit bleek reversibel na correctie van de vochtbalans.
Huid: huiduitslag, jeuk, candida dermatitis, herpes, verlies van hoofdhaar, (reversibel) hirsutisme.
Systemisch: koorts, lymfadenopathie, zwakte, malaise.
Overig: jicht, acute pancreatitis of pancreatische necrose, galactorroe, vooruitgang in botleeftijd.
Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb
Pulmonale hypertensie is gemeld bij kinderen, zuigelingen en pasgeborenen; in de meeste gevallen herstelde dit na staken van de behandeling. Controleer pasgeborenen tijdens de behandeling nauwgezet, met name bij risicofactoren zoals meconiumaspiratiesyndroom, hyaliene membranenziekte, neonatale tachypneu, pneumonie, sepsis, congenitale hernia diafragmatica en congenitale hartziekte. Staak de behandeling als pulmonale hypertensie wordt vastgesteld. Laat ouders/verzorgers direct contact opnemen als kinderen tekenen van ademhalingsmoeilijkheden krijgen.
Er zijn meldingen van necrotiserende enterocolitis (NEC) bij pasgeborenen, in sommige gevallen met fatale afloop. Controleer pasgeborenen tijdens de behandeling nauwgezet op symptomen als braken, opgezette buik, bloed in de ontlasting en lethargie, vooral bij een verhoogd risico op NEC (zoals bij prematuren). Bij vermoeden van NEC, de behandeling staken.
Wees voorzichtig bij gebruik in neonaten met een verhoogd bilirubine waardes, aangezien diazoxide de eiwitbinding van bilirubine kan verdringen [SmPC Proglicem].
Zorgverleners moeten zich bewust zijn van de risico's en controleren op neutropenie en trombocytopenie. Een volledig bloedbeeld met differentiële telling moet worden gemeten bij aanvang en 5 tot 7 dagen na het starten met diazoxide en daarna elke 3 tot 6 maanden [Brar 2020].
Patiënten moeten worden gecontroleerd op gewicht, elektrolyten en oedeem, en cardiopulmonale functie, vooral bij het starten of verhogen van de dosering [Chen 2021].
Controles: controleer de klinische respons en bloedglucosewaarden zorgvuldig tot de toestand van de patiënt voldoende is gestabiliseerd. Bij langdurig gebruik de urine periodiek controleren op glucose en ketonen, vooral in stress-situaties. Controleer ook regelmatig de bloedwaarden van hemoglobine, leukocyten, trombocyten en urinezuur.
Wees voorzichtig bij beperkte cardiale reserve wegens het risico van hartfalen door vochtretentie.
Bij hypokaliëmie kunnen de hyperglykemische effecten worden versterkt.
Diabetische ketoacidose en hyperosmolair non-ketotisch coma zijn gemeld, meestal bij een gelijktijdige aandoening. Na de acute fase van deze aandoeningen is verlengde observatie noodzakelijk vanwege de lange halfwaardetijd van diazoxide. Instrueer de patiënt om alert te zijn op symptomen van hyperglykemie en om zelf de bloedglucose te meten.
Niet beoordeeld: diuretica kunnen de hyperglykemie, de hyperurikemie en de hypotensie versterken. Verlaging van de dosering kan nodig zijn.
Antihypertensiva kunnen de hypotensie versterken.
Daling van de plasmaconcentratie van fenytoïne is waargenomen.
Deze pagina geeft een overzicht van geneesmiddelen uit dezelfde ATC groep. Let op: Dit betekent niet per definitie dat deze middelen onderling uitwisselbaar zijn.
| ANTIDOTA | ||
|---|---|---|
| V03AB16 | ||
|
Digitalis antidot
|
V03AB24 | |
|
Anexate
|
V03AB25 | |
| V03AB19 | ||
|
Cyanokit
|
V03AB33 | |
|
Kajodan
|
V03AB21 | |
| V03AB17 | ||
| V03AB15 | ||
|
Pedmarqsi
|
V03AB06 | |
|
Toxogonin
|
V03AB13 | |
| V03AB14 | ||
|
Bridion
|
V03AB35 | |
| IJZERCHELERENDE MIDDELEN | ||
|---|---|---|
| V03AC03 | ||
|
Ferriprox
|
V03AC02 | |
|
Desferal
|
V03AC01 | |
| MIDDELEN BIJ HYPERKALIEMIE EN HYPERFOSFATEMIE | ||
|---|---|---|
| V03AE07 | ||
| V03AE05 | ||
|
Sorbisterit Ca-resonium, Resonium A
|
V03AE01 | |
|
Renagel, Renvela
|
V03AE02 | |
| DETOXIFICANTIA BIJ BEHANDELING MET ONCOLYTICA | ||
|---|---|---|
|
Rescuvolin
|
V03AF03 | |
|
Uromitexan
|
V03AF01 | |
|
Fasturtec
|
V03AF07 | |