Antiviraal middel, behorend tot de zogenaamde non-nucleoside reverse-transcriptaseremmers (NNRTI). Het werkingsspectrum is beperkt tot HIV type 1. Rilpivirine is een niet-competitieve remmer van het HIV-1-reverse-transcriptase. Het bindt zich rechtstreeks aan het reverse-transcriptase-enzym en blokkeert zo de RNA- en DNA-afhankelijke DNA-polymeraseactiviteit van het virus door ontregeling van het katalytische gedeelte van het enzym.
De kinetiek bij kinderen vanaf 12 jaar is vergelijkbaar met de kinetiek bij volwassenen.
T1/2: 45 uur
Tmax: 4-5 uur
Er is een verschil in biologische beschikbaarheid waargenomen na inname van 1 x 25 mg filmomhulde tablet versus inname van 10 x 2,5 mg dispergeerbare tabletten; daarom kunnen ze niet onderling worden gewisseld.
[SmPC Edurant]
Tablet (als hydrochloride) 25 mg;
Injsusp MVA 300 mg/ml.|
De dispergeerbare tablet is nog niet in de handel in Nederland.
| Behandeling HIV infectie |
|---|
|
GFR ≥10 ml/min/1.73m2: aanpassing van de dosering is niet nodig.
GFR <10 ml/min/1.73m2: een algemeen advies kan niet worden gegeven.
Hoofdpijn (bij 19,4%), depressie (19,4%), slaperigheid (ca. 14%) en misselijkheid (ca. 11%).
Van oraal gebruik:
Zeer vaak (> 10%): hoofdpijn, duizeligheid, slapeloosheid. Misselijkheid. Verhoging van waarden van transaminasen, pancreasamylase, totaal cholesterol en LDL–cholesterol.
Vaak (1-10%): vermoeidheid, slaperigheid, depressie, abnormale dromen. Droge mond, braken, buikpijn. Anorexie. Huiduitslag. Verlaging van aantal leukocyten, trombocyten en van het hemoglobinegehalte. Stijging van triglyceridengehalte, lipase, bilirubine.
Soms (0,1-1%): immuunreconstitutie-inflammatoir-syndroom (IRIS).
cART: Antiretrovirale combinatietherapie (cART) kan gepaard gaan met gewichtstoename en metabole stoornissen (zoals hypertriglyceridemie, hypercholesterolemie, insulineresistentie, hyperglykemie en het ontstaan van of verergering van bestaande diabetes mellitus). Bij andere NNRTI's zijn gevallen van osteonecrose gemeld, vooral bij patiënten met algemeen erkende risicofactoren (o.a. gebruik van corticosteroïden, overmatig alcoholgebruik, ernstige immuunsuppressie en overgewicht), gevorderde HIV-infectie of langdurige blootstelling aan cART.
Bijwerkingen voor behandelschema bestaande uit cabotegravir plus rilpivirine:
Zeer vaak (> 10%): hoofdpijn. Koorts. Bij de i.m.-injectie: injectieplaatsreacties zoals pijn, knobbel, induratie (bij ca. 76-84%); dit kan in zeldzame gevallen resulteren in een tijdelijke loopstoornis.
Vaak (1-10%): duizeligheid. Angst, depressie, slapeloosheid, abnormale dromen. Misselijkheid, braken, (boven)buikpijn, flatulentie, diarree. Spierpijn. Huiduitslag (erythemateus, gegeneraliseerd, vlekkerig, (maculo)papuleus, morbilliform, jeukend). Vermoeidheid, malaise, asthenie. Gewichtstoename. Bij de i.m-injectie: injectieplaatsreacties zoals zwelling, erytheem, jeuk, hematoom, warmte.
Soms (0,1-1%): type I hypersensitiviteit, urticaria, angio-oedeem. Hepatotoxiciteit. Verhoogde waarden van transaminasen, bilirubine. Suïcidale gedachten of suïcidepoging, in het bijzonder bij een voorgeschiedenis van psychiatrische aandoeningen. Slaperigheid. Bij de i.m.-injectie: vasovagale reacties (als respons op injecties). Injectieplaatsreacties zoals cellulitis, abces, anesthesie, bloeding, verkleuring.
Zeer zelden (< 0,01%): Stevens-Johnsonsyndroom (SJS), toxische epidermale necrolyse (TEN).
Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb
De dispergeerbare tablet moet worden opgelost in water en tijdens een maaltijd worden ingenomen.
De filmomhulde tablet moet bij een maaltijd worden ingenomen.
Er is een verschil in biologische beschikbaarheid waargenomen na inname van 1 x 25 mg filmomhulde tablet versus inname van 10 x 2,5 mg dispergeerbare tabletten; daarom kunnen ze niet onderling worden gewisseld.
Bij oraal gebruik
Bij een hoge baseline 'viral load' (> 100.000 HIV-1 RNA kopieën/ml) is er meer kans op virologisch falen, met een hoger percentage resistentie tegen NNRTI's ontstaan na het begin van de behandeling. Rilpivirine is niet onderzocht bij patiënten met eerder virologisch falen op enige andere antiretrovirale behandeling. Bij virologisch falen op rilpivirine is er meer kans op resistentie tegen lamivudine/emtricitabine.
Immuun reconstitutie inflammatoir syndroom (IRIS) is gemeld, doorgaans in de eerste 2–4 weken tot 6 maanden na de start van cART (antiretrovirale combinatietherapie). Vooral bij ernstige immuundeficiëntie (CD4-getal < 100 cellen/mm3) bij aanvang van de behandeling is er meer kans op ontstekingsreacties op latent aanwezige opportunistische infecties, met ernstige klinische ziektebeelden tot gevolg, zoals CMV-retinitis, focale en/of gegeneraliseerde mycobacteriële infecties of een Pneumocystis jiroveci-pneumonie. Ook gemeld zijn auto-immuunziekten, zoals de ziekte van Graves, auto-immuunhepatitis, polymyositis en het Guillain-Barré-syndroom. De tijd tot optreden van deze ziekten is variabel, echter vaak pas vele maanden na aanvang van de behandeling.
Voor de injectie
Baselinefactoren in verband met virologisch falen: Houd er vóór aanvang van de behandeling rekening mee dat een combinatie van ten minste twee van de volgende baselinefactoren een verhoogd risico op virologisch falen kunnen geven:
Wees voorzichtig bij patiënten met een onvolledige of onduidelijke behandelgeschiedenis, zonder resistentieanalyse vóór de behandeling, in geval van een dergelijke BMI of HIV-1-subtype A6/A1.
Risico op resistentie na staken van de behandeling: Na het staken van de injecties is het essentieel om een alternatief, volledig suppressief antiretroviraal schema in te stellen binnen 2 maanden na de laatste injecties.
Langwerkende eigenschap injectie: Restconcentraties kunnen langdurig in de systemische circulatie aanwezig blijven (bij sommige patiënten tot 4 jaar). Houd hiermee rekening bij het staken van de injecties (bv. implicaties voor interacties, zwangerschap, lactatie, bijwerkingen).
Co-infectie met HBV/HCV: de behandeling niet starten bij patiënten met een co-infectie met HBV; hierover zijn geen gegevens beschikbaar. Behandel deze patiënten volgens de huidige behandelrichtlijnen. Er zijn beperkt gegevens over patiënten met een co-infectie met HCV; controle van de leverfunctie wordt bij hen aanbevolen.
Oraal en injectie
QT-verlenging: In hogere orale dosering (75 of 300 mg/dag) kan een verlenging van het QTc–interval optreden. De plasmaconcentraties na injectie zijn vergelijkbaar met oraal 25 mg 1×/dag.
Onvoldoende onderzocht: er zijn weinig gegevens over het gebruik bij een leeftijd > 65 jaar en bij patiënten met lichte tot matige leverinsufficiëntie.
Rilpivirine is substraat voor CYP3A; het remt P-gp.
Relevant:
Absorptie: de effectiviteit kan afnemen door een protonpompremmer (ontraden) of een H2-antagonist. De H2-antagonist moet ten minste 12 uur vóór of 4 uur na rilpivirine worden ingenomen.
Afname rilpivirine: de concentratie daalt door dexamethason, krachtige CYP3A4-inductoren (behalve efavirenz of nevirapine) en oxcarbazepine. Combinatie wordt ontraden. Bij combinatie met rifabutine moet de orale dosering worden verhoogd (zie D.).
Toename rilpivirine: de concentratie stijgt door claritromycine en erytromycine.
Rilpivirine verhoogt de concentratie van: digoxine en riociguat.
Overig effect: combinatie met bosentan wordt ontraden.
Niet beoordeeld:
Absorptie: de fabrikant adviseert inname van een antacidum ten minste 2 uur vóór of 4 uur na rilpivirine.
Toename rilpivirine: de concentratie stijgt door ketoconazol. Bovendien kan de concentratie van ketoconazol dalen.
Geboost darunavir verhoogt de concentratie en de AUC met ong. 150%; geboost lopinavir doet dit met ong. 50%.
Overig effect: de concentratie en de AUC van tenofovir disoproxil worden verhoogd met ong. 20%.
De concentratie en de AUC van methadon kunnen worden verlaagd met ong. 20%.
Hoge doses rilpivirine verlengen het QTc-interval, maar een dagdosis van 25 mg rilpivirine niet Voorzichtigheid is geboden bij combinatie met middelen die het QTc-interval verlengen.
Deze pagina geeft een overzicht van geneesmiddelen uit dezelfde ATC groep. Let op: Dit betekent niet per definitie dat deze middelen onderling uitwisselbaar zijn.
| NUCLEOSIDEN EN NUCLEOTIDEN (EXCL. REVERSE-TRANSCR-REMMERS) | ||
|---|---|---|
|
Zovirax
|
J05AB01 | |
| J05AB12 | ||
|
Cymevene
|
J05AB06 | |
|
Veklury
|
J05AB16 | |
|
Zelitrex
|
J05AB11 | |
|
Valcyte
|
J05AB14 | |
| FOSFONZUURDERIVATEN | ||
|---|---|---|
|
Foscavir
|
J05AD01 | |
| PROTEASEREMMERS | ||
|---|---|---|
|
Reyataz
|
J05AE08 | |
|
Prezista
|
J05AE10 | |
|
Telzir
|
J05AE07 | |
|
Crixivan
|
J05AE02 | |
|
Paxlovid
|
J05AE30 | |
|
Norvir
|
J05AE03 | |
|
Invirase
|
J05AE01 | |
| NUCLEOSIDE EN NUCLEOTIDE REVERSE-TRANSCRIPTASEREMMERS | ||
|---|---|---|
|
Ziagen
|
J05AF06 | |
|
Emtriva
|
J05AF09 | |
|
Baraclude
|
J05AF10 | |
|
Epivir 3TC, Zeffix
|
J05AF05 | |
|
Vemlidy
|
J05AF13 | |
| J05AF07 | ||
|
Retrovir
|
J05AF01 | |
| NIET-NUCLEOSIDE REVERSE-TRANSCRIPTASEREMMERS | ||
|---|---|---|
|
Pifeltro
|
J05AG06 | |
|
Stocrin
|
J05AG03 | |
|
Intelence
|
J05AG04 | |
|
Viramune
|
J05AG01 | |
| NEURAMINIDASEREMMERS | ||
|---|---|---|
|
Tamiflu
|
J05AH02 | |
|
Dectoza
|
J05AH01 | |
| ANTIVIRALE MIDDELEN VOOR HIVINFECTIE, COMBINATIEPREPARATEN | ||
|---|---|---|
|
Kivexa
|
J05AR02 | |
| J05AR20 | ||
| J05AR13 | ||
|
Dovato
|
J05AR25 | |
| J05AR18 | ||
| J05AR19 | ||
| J05AR03 | ||
| J05AR09 | ||
|
Kaletra
|
J05AR10 | |
| OVERIGE ANTIVIRALE MIDDELEN | ||
|---|---|---|
|
Hepcludex
|
J05AX28 | |
|
Tivicay
|
J05AX12 | |
|
Prevymis
|
J05AX18 | |
|
Celsentri
|
J05AX09 | |
|
Isentress
|
J05AX08 | |
| J05AX24 | ||
| INTEGRASEREMMERS | ||
|---|---|---|
|
Vocabria
|
J05AJ04 | |
| ANTIVIRALE MIDDELEN VOOR BEHANDELING VAN HCV-INFECTIES | ||
|---|---|---|
|
Zepatier
|
J05AP54 | |
|
Maviret
|
J05AP57 | |
|
Harvoni
|
J05AP51 | |
|
Copegus
|
J05AP01 | |
|
Sovaldi
|
J05AP08 | |
|
Epclusa
|
J05AP55 | |