Atazanavir is een antiviraal middel, behorend tot de HIV-1-proteaseremmers. Het is een selectieve remmer van HIV-protease, een essentiële component in de replicatiecyclus van het HIV-virus. Tijdens de replicatiefase splitst HIV-protease virale polypeptideproducten, waardoor essentiële eiwitten en enzymen zoals protease worden gevormd. Door interferentie met dit proces blokkeert atazanavir de rijping van het HIV waardoor niet-functionele, onrijpe, niet-infectieuze virussen worden gevormd.
Er is hier op dit moment nog geen informatie over beschikbaar.
Capsule (als sulfaat) 150 mg, 200 mg, 300 mg
Poeder voor oraal gebruik 50 mg (via internationale apotheek)
| Behandeling HIV infectie |
|---|
|
GFR ≥10 ml/min/1.73m2: aanpassing van de dosering is niet nodig.
GFR <10 ml/min/1.73m2: een algemeen advies kan niet worden gegeven.
Verlengd PQ- en QT-interval (vaker bij kinderen)
Zeer vaak (> 10%): verhoogd totaal bilirubine, vaak aangegeven als een verhoogd indirect (ongeconjugeerd) bilirubine (in combinatie met één of meer NRTI's, CTCAE graad 1-4 bij 87%; graad 3 of 4 bij 37-53%).
Vaak (1-10%): hoofdpijn. Misselijkheid, braken, dyspepsie, buikpijn, diarree. Geelzucht. Vermoeidheid.
Soms (0,1-1%): hypertensie. Verlengd PQ- en QT-interval (vaker bij kinderen), 'torsade de pointes'. Dyspneu. Overgevoeligheid, jeuk, urticaria, alopecia, angio-oedeem, erythema multiforme, toxische huiderupties, geneesmiddelexantheem met eosinofilie en systemische symptomen (DRESS-syndroom). Aftoïde stomatitis, droge mond, gastritis, flatulentie, pancreatitis. Hepatitis, cholestase, cholelithiasis. Anorexie, verhoogde eetlust, verandering lichaamsgewicht. Duizeligheid, smaakstoornis, slaperigheid, perifere neuropathie, syncope, amnesie. Slaapstoornis, abnormale dromen, angst, desoriëntatie, depressie. Nefrolithiasis, pollakisurie, proteïnurie, hematurie, interstitiële nefritis, chronische nierziekte. Koorts, malaise, asthenie. Spierpijn, gewrichtspijn, spieratrofie. Gynaecomastie.
Zelden (0,01-0,1%): myopathie. Loopstoornis. Oedeem, palpitaties, vasodilatatie. Cholecystitis, hepatosplenomegalie. Nierpijn. Eczeem, vesiculobulleuze huiduitslag, Stevens-Johnsonsyndroom (SJS).
Antiretrovirale combinatietherapie (cART) is in verband gebracht met gewichtstoename en metabole stoornissen (zoals hypertriglyceridemie, hypercholesterolemie, insulineresistentie, hyperglykemie en ontstaan of exacerbatie van diabetes mellitus) en het immuun reconstitutie inflammatoir syndroom (IRIS) met bijvoorbeeld reactivering van herpesinfecties of auto-immuunziekten, zoals de ziekte van Graves of auto-immuunhepatitis, polymyositis en het Guillain-Barré-syndroom. Ook osteonecrose kan voorkomen, vooral bij gevorderde HIV-infectie of langdurige blootstelling aan cART.
Verhoogde waarde creatinekinase, myositis en zelden rabdomyolyse zijn gemeld bij HIV-proteaseremmers, vooral in combinatie met nucleoside reverse-transcriptaseremmers (NRTI's).
Bij een aantal hemofiliepatiënten die HIV-proteaseremmers gebruikten, is toename (in frequentie en/of ernst) van spontane bloedingen opgetreden (subcutane of musculaire hematomen, hemartrosen).
Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb
Kinderen zijn gevoelig voor cardiale geleidingstoornissen.
Onwerkzaam: bij voorbehandelde kinderen is geen werkzaamheid te verwachten bij ≥4 'protease inhibitor'(PI)-mutaties. Dit kan zelfs al bij minder dan 4 'protease inhibitor'(PI)-mutaties het geval zijn.
Resistentie is beschreven; zie voor meer informatie de officiële productinformatie CBG/EMA (rubriek 5.1, kopje resistentie).
Bij volwassenen is geen werkzaamheid te verwachten bij ≥ 4 'protease inhibitor'(PI)-mutaties; bij voorbehandelde kinderen kan dit zelfs bij minder PI-mutaties het geval zijn. Atazanavir in combinatie met doses > 100 mg/dag van ritonavir is niet onderzocht en wordt afgeraden in verband met een gewijzigd veiligheidsprofiel van atazanavir (effecten op het hart, hyperbilirubinemie).
Bij significante onderliggende leverfunctiestoornissen zijn de veiligheid en werkzaamheid van atazanavir+ritonavir niet vastgesteld. Reversibele verhoging van niet-geconjugeerd bilirubine gerelateerd aan glucuronyltransferaseremming is gezien. Onderzoek andere oorzaken bij een gelijktijdige stijging van de levertransaminase- en bilirubinewaarden. Overweeg een andere therapie als geelzucht onacceptabel is voor de patiënt. Bij toepassing van antiretrovirale combinatietherapie bij patiënten met chronische hepatitis B of C is er meer kans op ernstige, potentieel fatale leverbijwerkingen. Controleer de leverfunctie regelmatig bij een pre-existente leverfunctiestoornis; bij verslechtering het gebruik tijdelijk of definitief staken.
Cardiale geleiding: Wees voorzichtig bij risicofactoren voor QT-verlenging zoals bradycardie, relevante hartziekte, hypokaliëmie, hypocalciëmie, hypomagnesiëmie, comedicatie die het QT-interval verlengt en congenitale of verworven QT-verlenging. Bepaal bij de aanwezigheid van niet te behandelen risicofactoren regelmatig de elektrolyten en verricht een ECG. Wees ook voorzichtig bij bestaande PQ-verlenging of met geneesmiddelen die PQ-verlenging geven. Bij bestaande PQ-verlenging en andere geleidingsproblemen (tweedegraads AV-blok, atrioventriculair of complex bundeltakblok) atazanavir+ritonavir alleen op strikte indicatie toepassen en voer op klinische indicatie cardiale controle uit. Vooral kinderen zijn gevoelig voor geleidingstoornissen. Bij hen is asymptomatische verlenging van het PQ-interval vaker gemeld dan bij volwassenen, ook asymptomatisch eerste- en tweedegraads AV-blok is gemeld.
Chronische nierziekten zijn gemeld bij gebruik van atazanavir, met of zonder ritonavir; er bestaat een verband met de cumulatieve blootstelling aan de atazanavir/ritonavir-bevattende behandeling. Controleer regelmatig de nierfunctie.
Steenvorming zoals nefrolithiase (ook met complicaties zoals nierinsufficiëntie of acuut nierfalen) en cholelithiase zijn gemeld bij gebruik van atazanavir, soms was ziekenhuisopname en aanvullende behandeling noodzakelijk. Overweeg de behandeling tijdelijk te onderbreken of het gebruik definitief te staken, als symptomen van cholelithiase of nefrolithiase optreden.
Lichte tot matige maculopapuleuze huid-erupties ontstaan meestal tijdens de eerste 3 weken van de behandeling. Bij verergering van de huidreacties het gebruik staken; bij de diagnose Stevens-Johnsonsyndroom of DRESS-syndroom atazanavir niet meer herstarten.
Voorwaarden voor het staken van ritonavir in het versterkte behandelschema, waarbij aan alle volgende voorwaarden voldaan moet zijn:
Immuun reconstitutie inflammatoir syndroom (IRIS) is gemeld, doorgaans in de eerste 2–4 weken tot 6 maanden na de start van cART (antiretrovirale combinatietherapie). Vooral bij ernstige immuundeficiëntie (CD4-getal < 100 cellen/mm³) bij aanvang van de behandeling is er meer kans op ontstekingsreacties op latent aanwezige opportunistische infecties, met ernstige klinische ziektebeelden tot gevolg, zoals CMV-retinitis, focale en/of gegeneraliseerde mycobacteriële infecties of een Pneumocystis jiroveci-pneumonie. Ook gemeld zijn auto-immuunziekten, zoals de ziekte van Graves, auto-immuunhepatitis, polymyositis en het Guillain-Barré-syndroom. De tijd tot optreden van deze ziekten is variabel, echter vaak pas vele maanden na aanvang van de behandeling.
Osteonecrose: Controleer bij het ontstaan van pijnlijke en/of stijve gewrichten of bij het ondervinden van problemen met bewegen op osteonecrose.
Waarschuw hemofiliepatiënten voor een mogelijke toename (in ernst en/of frequentie) van bloedingen. Bij een aantal patiënten die HIV-proteaseremmers gebruikten, zijn spontane bloedingen opgetreden zoals subcutane of musculaire hematomen, hemartrosen. Bij meldingen van enkele patiënten is het voorgekomen dat aanvullend factor VIII is gegeven. In > 50% van de gevallen is de behandeling met de proteaseremmer voortgezet of hervat na een onderbreking ervan. Een causaal verband is gesuggereerd, maar het werkingsmechanisme is onduidelijk.
Atazanavir+ritonavir wordt niet aanbevolen bij patiënten die hemodialyse ondergaan; de farmacokinetische parameters lijken met 30–50% verlaagd ten opzichte van patiënten met een normale nierfunctie.
Atazanavir remt CYP3A4, CYP1A2, CYP2C9 en UGT; het is substraat voor CYP3A4.
Relevant:
Absorptie: atazanavir moet ten minste 2 uur vóór of na een antacidum worden ingenomen.
De effectiviteit kan afnemen door een protonpompremmer of een H2-antagonist.
Afname atazanavir: de concentratie daalt door bepaalde inductoren (dexamethason, etravirine, krachtige CYP3A4-inductoren, Lumacaftor/Ivacaftor). De effectiviteit moet worden gecontroleerd, alsmede de toxiciteit van carbamazepine. Bij combinatie met efavirenz, etravirine of nevirapine moet de dosering worden verhoogd.
De concentratie daalt door bexaroteen, ginkgo biloba en minocycline.
Atazanavir verhoogt de concentratie van: alfentanil, amiodaron, atorvastatine, buprenorfine, calciumantagonisten, carbamazepine, clindamycine, clonazepam, colchicine, diazepam, bepaalde DOAC’s (apixaban, dabigatran, rivaroxaban), doxorubicine, erytromycine, etoposide, finasteride, urologische fosfodiësteraseremmers, bepaalde HCV-middelen (Elbasvir/Grazoprevir, Glecaprevir/Pibrentasvir, Sofosbuvir/Velpatasvir/Voxilaprevir), bepaalde immunosuppressiva (ciclosporine, everolimus, (tem)sirolimus, tacrolimus), itraconazol, ivabradine, ketoconazol, lidocaïne, lurasidon, maraviroc, methadon, metronidazol, parenteraal midazolam, propafenon, rifabutine, rosuvastatine, salmeterol, tenofovir alafenamide, ticagrelor, venlafaxine, vinblastine en vincristine. Combinatie met de volgende middelen wordt ontraden: alfuzosine, alprazolam, ergotamine, irinotecan, kinidine, oraal midazolam, pimozide, quetiapine, simvastatine en trazodon.
De concentratie van claritromycine stijgt; bovendien kan de atazanavirconcentratie stijgen.
Atazanavir verlaagt de concentratie van: cyclofosfamide, fluvastatine en ifosfamide.
De concentratie van ethinylestradiol daalt; de betrouwbaarheid van orale anticonceptiva, de vaginale ring en de pleister kan afnemen. Een andere methode van anticonceptie wordt aanbevolen.
Overig effect: atazanavir en ledipasvir beïnvloeden elkaar.
Bij combinatie met darunavir, lopinavir of tenofovir disoproxil wordt geadviseerd geboost atazanavir toe te dienen.
Combinatie met bosentan of saquinavir wordt ontraden.
Posaconazol kan de concentratie van atazanavir verhogen, bovendien kan de posaconazolconcentratie dalen.
Het trombocytenaggregatieremmend effect van clopidogrel wordt mogelijk verminderd.
De werking van VKA's wordt beïnvloed.
Niet relevant:
Atazanavir verhoogt de concentratie van: eplerenon.
Niet beoordeeld:
Toename atazanavir: ritonavir en cobicistat verhogen de AUC en Cmin en worden toegepast als 'booster' ter verhoging van de concentratie van atazanavir.
Overig effect: voorzichtigheid is geboden bij combinatie met middelen die het PR-interval verlengen, zoals atenolol of diltiazem, en met middelen die het QTc-interval verlengen.
Combinatie met bosentan wordt ontraden.
Deze pagina geeft een overzicht van geneesmiddelen uit dezelfde ATC groep. Let op: Dit betekent niet per definitie dat deze middelen onderling uitwisselbaar zijn.
| NUCLEOSIDEN EN NUCLEOTIDEN (EXCL. REVERSE-TRANSCR-REMMERS) | ||
|---|---|---|
|
Zovirax
|
J05AB01 | |
| J05AB12 | ||
|
Cymevene
|
J05AB06 | |
|
Veklury
|
J05AB16 | |
|
Zelitrex
|
J05AB11 | |
|
Valcyte
|
J05AB14 | |
| FOSFONZUURDERIVATEN | ||
|---|---|---|
|
Foscavir
|
J05AD01 | |
| PROTEASEREMMERS | ||
|---|---|---|
|
Prezista
|
J05AE10 | |
|
Telzir
|
J05AE07 | |
|
Crixivan
|
J05AE02 | |
|
Paxlovid
|
J05AE30 | |
|
Norvir
|
J05AE03 | |
|
Invirase
|
J05AE01 | |
| NUCLEOSIDE EN NUCLEOTIDE REVERSE-TRANSCRIPTASEREMMERS | ||
|---|---|---|
|
Ziagen
|
J05AF06 | |
|
Emtriva
|
J05AF09 | |
|
Baraclude
|
J05AF10 | |
|
Epivir 3TC, Zeffix
|
J05AF05 | |
|
Vemlidy
|
J05AF13 | |
| J05AF07 | ||
|
Retrovir
|
J05AF01 | |
| NIET-NUCLEOSIDE REVERSE-TRANSCRIPTASEREMMERS | ||
|---|---|---|
|
Pifeltro
|
J05AG06 | |
|
Stocrin
|
J05AG03 | |
|
Intelence
|
J05AG04 | |
|
Viramune
|
J05AG01 | |
|
Edurant, Rekambys
|
J05AG05 | |
| NEURAMINIDASEREMMERS | ||
|---|---|---|
|
Tamiflu
|
J05AH02 | |
|
Dectoza
|
J05AH01 | |
| ANTIVIRALE MIDDELEN VOOR HIVINFECTIE, COMBINATIEPREPARATEN | ||
|---|---|---|
|
Kivexa
|
J05AR02 | |
| J05AR20 | ||
| J05AR13 | ||
|
Dovato
|
J05AR25 | |
| J05AR18 | ||
| J05AR19 | ||
| J05AR03 | ||
| J05AR09 | ||
|
Kaletra
|
J05AR10 | |
| OVERIGE ANTIVIRALE MIDDELEN | ||
|---|---|---|
|
Hepcludex
|
J05AX28 | |
|
Tivicay
|
J05AX12 | |
|
Celsentri
|
J05AX09 | |
|
Isentress
|
J05AX08 | |
| J05AX24 | ||
| INTEGRASEREMMERS | ||
|---|---|---|
|
Vocabria
|
J05AJ04 | |
| ANTIVIRALE MIDDELEN VOOR BEHANDELING VAN HCV-INFECTIES | ||
|---|---|---|
|
Zepatier
|
J05AP54 | |
|
Maviret
|
J05AP57 | |
|
Harvoni
|
J05AP51 | |
|
Copegus
|
J05AP01 | |
|
Sovaldi
|
J05AP08 | |
|
Epclusa
|
J05AP55 | |