Artenimol (dihydroartemisinine, DHA) brengt door middel van vrije radicalen schade toe aan parasitaire membraansystemen door verstoring van de mitochondriale functie, interferentie met transporteiwitten en door remming van calcium–ATP–ase in het endoplasmatisch reticulum in het sarcoplasma van Plasmodium falciparum.
Het werkingsmechanisme van piperaquine is onbekend, maar komt waarschijnlijk overeen met dat van het structureel verwante chloroquine. Chloroquine heeft een bloedschizonticide werking waardoor de aseksuele erytrocytaire vormen van Plasmodium worden gedood. De bis-chinolinestructuur van piperaquine is mogelijk van belang voor de werking tegen chloroquine-resistente stammen. Mogelijke werkingsmechanismen hierbij zijn remming van transporters die chloroquine uit de voedselvacuole van de parasiet verwijderen en remming van de haem-digestieroute in deze vacuole.
De gemiddelde klaring van artenimol is iets sneller bij de pediatrische patiënten (1,45 l/u/kg) dan bij de volwassen patiënten (1,34 l/u/kg), terwijl het gemiddelde distributievolume bij de pediatrische patiënten (0,705 l/kg) lager is dan bij de volwassenen (0,801 l/kg).
De absorptiesnelheidsconstante en de terminale halfwaardetijd van piperaquine bij kinderen waren grotendeels vergelijkbaar met die bij volwassenen. De schijnbare klaring was echter sneller (1,30 versus 1,14 l/uur/kg) en het schijnbare totale distributievolume was lager bij de pediatrische populatie (623 versus 730 l/kg).
(SmPC Eurartesim)
Per tablet: Artenimol 40 mg Piperaquinetetrafosfaat (als 4-water) 320 mg
| Behandeling ongecompliceerde malaria |
|---|
|
Er zijn geen gegevens bekend over doseeraanpassing bij nierfunctiestoornissen.
Zeer vaak (> 10%): hoesten, influenza, koorts.
Vaak (1–10%): onregelmatige hartslag, verlengd QTc–interval. Luchtweginfectie. Oorinfectie. Conjunctivitis. Braken, buikpijn, diarree. Anorexie. Asthenie. Huiduitslag, dermatitis. Anemie, trombocytopenie, leukopenie (o.a. neutropenie), leukocytose.
Soms (0,1–1%): hartgeleidingsstoornis, hartruis. Hoofdpijn, convulsies. Bloedneus, rinorroe. Misselijkheid, stomatitis. Gewrichtspijn. Jeuk, acanthose. Hepatomegalie, hepatitis, geelzucht, afwijkende uitslagen van leverfunctietesten. Splenomegalie, lymfadenopathie. Trombocytose, hypochromasie.
Vaak (1–10%): tachycardie, verlengd QTc–interval (door piperaquine). Hoofdpijn. Koorts, asthenie. Anemie.
Soms (0,1–1%): bradycardie, sinusaritmie, hartgeleidingsstoornis. Duizeligheid, convulsies. Hoesten, luchtweginfectie, influenza. Misselijkheid, braken, buikpijn, diarree. Anorexie. Jeuk. Spierpijn, gewrichtspijn. Hepatomegalie, hepatitis, afwijkende uitslagen van leverfunctietesten.
Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb
Wees alert op hemolyse en anemie, welke tot één maand ná behandeling met i.v. artesunaat en op een orale, op artemisinine gebaseerde, combinatiebehandeling (ACT, waaronder artenimol/piperaquine) kunnen optreden. Risicofactoren zijn een jonge leeftijd (< 5 jaar) en eerdere behandeling met artesunaat. Instrueer de patiënt alert te zijn op verschijnselen en symptomen van hemolyse en anemie, zoals bleekheid, icterus, donkergekleurde urine, koorts, dyspneu, duizeligheid, verwardheid en vermoeidheid.
Bij jonge kinderen die braken, is bijzondere voorzichtigheid geboden, aangezien bij hen elektrolytenstoornissen kunnen optreden. Deze kunnen het QTc-verlengende effect van artenimol/piperaquine versterken.
(SmPC Euratesim)
In verband met het risico van QTc–verlenging tijdens de behandeling ECG-controle uitvoeren; dit in ieder geval doen vóórdat de laatste dosis van de kuur wordt ingenomen en ongeveer 4–6 uur na de laatste dosis, omdat het risico van QTc–verlenging tijdens deze periode het hoogst is. ECG-monitoring gedurende 24–48 uur is noodzakelijk indien uit het ECG blijkt dat het QTc–interval > 500 ms is; in dit geval de behandeling onmiddellijk staken.
Verminderde lever- of nierfunctie, elektrolytstoornissen: Er zijn geen gegevens over het gebruik bij matige of ernstige nier– of leverinsufficiëntie; wees hierbij voorzichtig; extra ECG–monitoring en elektrolytbepalingen, vooral het kalium, worden geadviseerd. Wees ook alert op mogelijke verstoring van de elektrolytbalans, zoals bij aanhoudend braken.
Wees alert op hemolyse en anemie, welke tot één maand ná behandeling met i.v.-artesunaat en op een orale, op artemisinine gebaseerde combinatiebehandeling (ACT, waaronder artenimol/piperaquine) kunnen optreden, soms dermate ernstig dat transfusie nodig is. Risicofactoren zijn een jonge leeftijd (< 5 jaar) en eerdere behandeling met artesunaat. Instrueer de patiënt alert te zijn op verschijnselen en symptomen van hemolyse en anemie, zoals bleekheid, icterus, donkergekleurde urine, koorts, dyspneu, duizeligheid, verwardheid en vermoeidheid. Overweeg daarnaast een antiglobulinetest (Coombs-test) om te bepalen of een therapie, bv. met corticosteroiden, nodig is, omdat bij een subgroep van patiënten sprake kan zijn van een auto-immuunhemolytische anemie.
Artenimol is een zwakke CYP1A2-remmer.
Niet beoordeeld: enzyminductoren, zoals rifampicine, carbamazepine, fenytoïne, fenobarbital en hypericum, kunnen de plasmaconcentratie van artenimol verlagen.
Piperaquine remt CYP3A4 en CYP2C19 en is substraat voor CYP3A4 en in geringe mate voor CYP2C19.
Het induceert CYP2E1.
Niet beoordeeld:
Combinatie met andere middelen die het QTc-interval verlengen, wordt ontraden.
Voorzichtigheid is geboden bij combinatie met CYP3A4-remmers en CYP3A4-substraten; controle van het ECG wordt aangeraden.
De plasmaconcentratie van CYP2E1-substraten kan dalen.
De plasmaconcentratie van CYP2C19-substraten kan stijgen.
Enzyminductoren, zoals rifampicine, carbamazepine, fenytoïne, fenobarbital en hypericum, kunnen de plasmaconcentratie van piperaquine verlagen.
Grapefruitsap verhoogt de plasmaconcentratie van piperaquine.
Deze pagina geeft een overzicht van geneesmiddelen uit dezelfde ATC groep. Let op: Dit betekent niet per definitie dat deze middelen onderling uitwisselbaar zijn.
| AMINOCHINOLINES | ||
|---|---|---|
|
A-CQ100
|
P01BA01 | |
|
Plaquenil
|
P01BA02 | |
| BIGUANIDEN | ||
|---|---|---|
|
Malarone, Malarone junior
|
P01BB51 | |
|
Paludrine
|
P01BB01 | |
| METHANOLCHINOLINEN | ||
|---|---|---|
|
AQS 200
|
P01BC01 | |
|
Lariam
|
P01BC02 | |
| DIAMINOPYRIMIDINES | ||
|---|---|---|
|
Daraprim
|
P01BD01 | |
| ARTEMISININE EN AFGELEIDE VERBINDINGEN, ENKELVOUDIG | ||
|---|---|---|
|
Malacef
|
P01BE03 | |
| ARTEMISININE EN AFGELEIDE VERBINDINGEN, COMBINATIEPREP. | ||
|---|---|---|
|
Riamet
|
P01BF01 | |