Crovalimab is een complementremmer. Het is een gehumaniseerd monoklonaal antilichaam, een immunoglobuline G1 (IgG1) dat zich specifiek met hoge affiniteit bindt aan component 5 (C5) van het complementsysteem. Hierdoor wordt de splitsing van C5 in C5a en C5b geremd en voorkomt het de vorming van het 'membrane attack complex' (MAC). Crovalimab veroorzaakt remming van terminale complementactiviteit. Bij PNH remt het de door het terminale complement gemedieerde intravasculaire hemolyse. Geproduceerd door middel van recombinant DNA-technologie in Chinese-hamsterovariumcellen (CHO-cellen).
De blootstelling bij pediatrische patiënten van 12 jaar en ouder (n=12; 13-17 jaar en ≥40 kg) is vergelijkbaar met die van volwassen patiënten
Nog geen tweede medicijn geselecteerd.
Druk op ‘geneesmiddelen’ en vervolgens op om een geneesmiddel toe te voegen aan deze kolom.
Nog geen tweede medicijn geselecteerd.
Druk op ‘geneesmiddelen’ en vervolgens op om een geneesmiddel toe te voegen aan deze kolom.
Inj/Inf opl 170 mg/ml
Nog geen tweede medicijn geselecteerd.
Druk op ‘geneesmiddelen’ en vervolgens op om een geneesmiddel toe te voegen aan deze kolom.
| Paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie (PNH) |
|---|
|
Nog geen tweede medicijn geselecteerd.
Druk op ‘geneesmiddelen’ en vervolgens op om een geneesmiddel toe te voegen aan deze kolom.
GFR ≥10 ml/min/1.73m2: aanpassing van de dosering is niet nodig.
GFR <10 ml/min/1.73m2: een algemeen advies kan niet worden gegeven.
Nog geen tweede medicijn geselecteerd.
Druk op ‘geneesmiddelen’ en vervolgens op om een geneesmiddel toe te voegen aan deze kolom.
De bijwerkingen die werden gemeld bij pediatrische PNH-patiënten en die geassocieerd waren met
crovalimab zijn bovenste luchtweginfectie (16,7%), urineweginfectie (16,7%), vermoeidheid (16,7%),
pyrexie (16,7%), hoofdpijn (8,3%), infusiegerelateerde reacties (8,3%) en injectiegerelateerde reactie (8,3%).
Zeer vaak (> 10%): bovensteluchtweginfectie. Immuuncomplexgemedieerde reactie type III (bij overstappen van een andere C5-remmer). Hoofdpijn. Koorts.
Vaak (1-10%): pneumonie, luchtweginfectie, urineweginfectie, nasofaryngitis. Overgevoeligheid. Buikpijn, diarree, huiduitslag. Gewrichtspijn. Asthenie, vermoeidheid.
Soms (0,1-1%): reactie op injectieplaats (pijn, huiduitslag, roodheid). Misselijkheid. Paresthesie. Duizeligheid.
Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb
Nog geen tweede medicijn geselecteerd.
Druk op ‘geneesmiddelen’ en vervolgens op om een geneesmiddel toe te voegen aan deze kolom.
Crovalimab kan de gevoeligheid voor een meningokokkeninfectie (Neisseria meningitidis) verhogen. Vaccineer alle patiënten tegen meningokokkeninfecties ten minste twee weken vóór start van de behandeling. Vaccinatie tegen serogroep A, C, Y en W135 en tegen serogroep B wordt aanbevolen. Geef bij niet-gevaccineerde patiënten die direct crovalimab nodig hebben, het vaccin zo snel mogelijk en start profylactisch antibiotica bij aanvang van de behandeling met crovalimab tot 2 weken na vaccinatie. Vaccinatie vermindert de kans op meningokokkeninfecties, maar sluit het risico niet geheel uit. Controleer op vroege tekenen van een meningokokkeninfectie. Adviseer om direct medische hulp te zoeken bij symptomen van een meningokokkeninfectie.
Een vaccinatie kan het complementsysteem nog verder activeren; een tijdelijke verslechtering van PNH, zoals hemolyse, kan optreden. Controleer patiënten na vaccinatie nauwlettend op PNH-symptomen.
De gevoeligheid voor infecties met andere ingekapselde bacteriën kan verhoogd zijn. Vaccineer tegen Streptococcus pneumoniae en Haemophilus influenzae type b ten minste 2 weken voorafgaand aan start crovalimab. Geef bij niet-gevaccineerde patiënten die direct crovalimab nodig hebben het vaccin zo snel mogelijk en start profylactisch antibiotica bij aanvang van de behandeling tot 2 weken na vaccinatie of langer.
Controleer bij actieve systemische infecties op symptomen van verergering van de infectie.
Controleer op type III-overgevoeligheidsreacties gedurende de eerste 30 dagen na het overstappen van eculizumab of ravulizumab op crovalimab (of vice versa). Door vorming van immuuncomplexen kunnen immuuncomplexgemedieerde reacties type III optreden, zoals artralgie en andere skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen, huiduitslag en andere huid- en onderhuidaandoeningen, koorts, asthenie/vermoeidheid, problemen met het maag-darmstelsel, hoofdpijn en axonale neuropathie. Overweeg bij lichte of matige reacties een symptomatische behandeling (bijvoorbeeld lokale corticosteroïden, antihistaminica, antipyretica en/of analgetica). Geef bij ernstige reacties een orale of parenterale behandeling met corticosteroïden.
Bij patiënten die overstappen van een andere behandeling met C5-remmers wordt een tijdelijke verhoging van de klaring waargenomen door de vorming van de immuuncomplexen. Dit leidt tot een snellere eliminatie van crovalimab. Deze tijdelijke verhoging van de klaring is echter niet klinisch relevant en vereist geen dosisaanpassing bij patiënten die overschakelen van een andere C5-remmer.
Bij infusie- en injectiegerelateerde reacties: bij een infusiegerelateerde reactie de infusie vertragen of behandeling onderbreken. Instrueer patiënt/verzorger om bij een ernstige injectiegerelateerde reactie of bij een ernstige allergische reactie na intraveneuze of subcutane toediening, om onmiddellijk medische hulp te zoeken. Overleg of de behandeling kan worden voortgezet.
Controleer bij staken van de behandeling en niet overstappen op een andere behandeling voor PNH op ernstige intravasculaire hemolyse, gekenmerkt door verhoogde niveaus van lactaatdehydrogenase (LDH), in combinatie met een plotselinge afname van de grootte van de PNH-kloon of hemoglobine, of een terugkeer van symptomen zoals vermoeidheid, hemoglobinurie, buikpijn, kortademigheid, ernstige vasculaire bijwerkingen (waaronder trombose), dysfagie of erectiestoornis. Overweeg het opnieuw starten van een gepaste behandeling bij tekenen en symptomen van hemolyse na stopzetting, waaronder verhoogd LDH.
Ontwikkeling van antilichamen tegen het geneesmiddel (anti-drug antibodies, ADA’s) kan leiden tot verminderde blootstelling aan en verlies van werkzaamheid van crovalimab. Controleer regelmatig op verminderde werkzaamheid, waaronder ernstige intravasculaire hemolyse. Houd rekening met mogelijke ontwikkeling van ADA’s bij aanhoudende ernstige intravasculaire hemolyse ondanks goede therapietrouw. Overweeg overstap naar alternatieve behandeling. Instrueer patiënten/verzorgers om onmiddellijk medische hulp te zoeken bij tekenen van verslechtering van PNH.
Controleer regelmatig het lichaamsgewicht, indien nodig. Pas bij ≥ 10% verandering in lichaamsgewicht waarbij het gewicht consistent hoger of lager wordt dan 100 kg, de onderhoudsdosis aan.
Nog geen tweede medicijn geselecteerd.
Druk op ‘geneesmiddelen’ en vervolgens op om een geneesmiddel toe te voegen aan deze kolom.
Interacties immuunmodulatiantia algemeen
Relevant:
Levende vaccins
Bij immunomodulantia met immunosuppressieve werking* kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectie veroorzaken. De NVR-richtlijn Biologicals ontraadt vaccinatie met levende micro-organismen tijdens gebruik van deze middelen.
Bij sommige middelen adviseert de fabrikant het middel een bepaalde termijn voorafgaand aan de vaccinatie met levende micro-organismen te staken, en na een bepaalde termijn te hervatten. Ook ontraadt de fabrikant van sommige middelen vaccinatie met levende micro-organismen bij neonaten, zoals het BCG- en Rotavirus-vaccin. Voor meer informatie wordt verwezen naar de stofteksten van de individuele stoffen.
Niet-levende vaccins :
Tijdens gebruik van middelen met immunosuppressieve werking* kunnen vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen minder effectief zijn door een verminderde immuunrespons. In sommige gevallen kan het vaccin herhaald worden of kan een titerbepaling worden gedaan. Zie ook de LCI-richtlijn Vaccinatie bij chronisch inflammatoire aandoeningen.
Immunocyanine:
De werking van immunocyanine kan worden verminderd door middelen met een immunosuppressieve werking*.
*De volgende immunomodulantia hebben een immunosuppressieve werking:
Nog geen tweede medicijn geselecteerd.
Druk op ‘geneesmiddelen’ en vervolgens op om een geneesmiddel toe te voegen aan deze kolom.
Nog geen tweede medicijn geselecteerd.
Druk op ‘geneesmiddelen’ en vervolgens op om een geneesmiddel toe te voegen aan deze kolom.
Nog geen tweede medicijn geselecteerd.
Druk op ‘geneesmiddelen’ en vervolgens op om een geneesmiddel toe te voegen aan deze kolom.