Crovalimab

Stofnaam
Crovalimab
Merknaam
Piasky
ATC code
L04AJ07
Doseringen
Nierfunctiestoornissen

Produkten, hulpstoffen, toediening en tekorten
Bijwerkingen
Contraindicaties
Waarschuwingen en voorzorgen

Interacties
Eigenschappen (PD/PK)

Registratiestatus
Middelen uit dezelfde ATC groep
Referenties
Versiebeheer

Eigenschappen Bron: ZorgInstituut Nederland - Farmacotherapeutisch Kompas

Crovalimab is een complementremmer. Het is een gehumaniseerd monoklonaal antilichaam, een immunoglobuline G1 (IgG1) dat zich specifiek met hoge affiniteit bindt aan component 5 (C5) van het complementsysteem. Hierdoor wordt de splitsing van C5 in C5a en C5b geremd en voorkomt het de vorming van het 'membrane attack complex' (MAC). Crovalimab veroorzaakt remming van terminale complementactiviteit. Bij PNH remt het de door het terminale complement gemedieerde intravasculaire hemolyse. Geproduceerd door middel van recombinant DNA-technologie in Chinese-hamsterovariumcellen (CHO-cellen).

Farmacokinetiek bij kinderen

De blootstelling bij pediatrische patiënten van 12 jaar en ouder (n=12; 13-17 jaar en ≥40 kg) is vergelijkbaar met die van volwassen patiënten

Label dosisadvies Kinderformularium

On-label

Toon SmPC tekst Toon SmPC tekst

SmPC tekst

Paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie (PNH):
≥ 12 jaar en ≥40 kg: oplaaddosis 1000 mg IV, daarna op dag 2, 8, 15 en 22: 340 mg/dosis subcutaan

Beschikbare toedieningsvormen/sterktes

Inj/Inf opl 170 mg/ml

Overige info toediening/beschikbaarheid

Informatie over geneesmiddeltekorten

Doseringen

Paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie (PNH)
  • Intraveneus
    • ≥ 12 jaar en ≥ 40 kg
      [1]
      • OPLAADDOSERING (voorafgaand aan verdere subcutane onderhoudsdoses) 1.000 mg/dosis, éénmalig.
  • Subcutaan
    • ≥ 12 jaar en ≥ 40 kg
      [1]
      • Startdosering: Vervolg na intraveuze oplaaddosering: 340 mg/dosis op dag 2, 8, 15 en 22.
      • Onderhoudsdosering: 680 mg/dosis op dag 29 en daarna iedere 4 weken.

Nierfunctiestoornissen bij kinderen > 3 maanden

GFR ≥10 ml/min/1.73m2: aanpassing van de dosering is niet nodig.

GFR <10 ml/min/1.73m2: een algemeen advies kan niet worden gegeven.

Bijwerkingen bij kinderen

De bijwerkingen die werden gemeld bij pediatrische PNH-patiënten en die geassocieerd waren met
crovalimab zijn bovenste luchtweginfectie (16,7%), urineweginfectie (16,7%), vermoeidheid (16,7%),
pyrexie (16,7%), hoofdpijn (8,3%), infusiegerelateerde reacties (8,3%) en injectiegerelateerde reactie (8,3%).

Bijwerkingen algemeen Bron: ZorgInstituut Nederland - Farmacotherapeutisch Kompas

Zeer vaak (> 10%): bovensteluchtweginfectie. Immuuncomplexgemedieerde reactie type III (bij overstappen van een andere C5-remmer). Hoofdpijn. Koorts.

Vaak (1-10%): pneumonie, luchtweginfectie, urineweginfectie, nasofaryngitis. Overgevoeligheid. Buikpijn, diarree, huiduitslag. Gewrichtspijn. Asthenie, vermoeidheid.

Soms (0,1-1%): reactie op injectieplaats (pijn, huiduitslag, roodheid). Misselijkheid. Paresthesie. Duizeligheid.

Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb

  • Bij kinderen worden veel geneesmiddelen off-label gebruikt. Alle ervaringen zijn belangrijk om te melden om zo meer kennis te verzamelen en te delen
  • Ook wanneer u niet zeker weet of de bijwerking echt door het geneesmiddel komt
Meld hier

Contra-indicatie algemeen Bron: ZorgInstituut Nederland - Farmacotherapeutisch Kompas

  • een Neisseria meningitidis-infectie.
  • geen vaccinatie tegen Neisseria meningitidis bij inzet behandeling, tenzij profylactische behandeling met geschikte antibiotica tot 2 weken na vaccinatie.

Waarschuwingen en voorzorgen algemeen Bron: ZorgInstituut Nederland - Farmacotherapeutisch Kompas

Crovalimab kan de gevoeligheid voor een meningokokkeninfectie (Neisseria meningitidis) verhogen. Vaccineer alle patiënten tegen meningokokkeninfecties ten minste twee weken vóór start van de behandeling. Vaccinatie tegen serogroep A, C, Y en W135 en tegen serogroep B wordt aanbevolen. Geef bij niet-gevaccineerde patiënten die direct crovalimab nodig hebben, het vaccin zo snel mogelijk en start profylactisch antibiotica bij aanvang van de behandeling met crovalimab tot 2 weken na vaccinatie. Vaccinatie vermindert de kans op meningokokkeninfecties, maar sluit het risico niet geheel uit. Controleer op vroege tekenen van een meningokokkeninfectie. Adviseer om direct medische hulp te zoeken bij symptomen van een meningokokkeninfectie.

Een vaccinatie kan het complementsysteem nog verder activeren; een tijdelijke verslechtering van PNH, zoals hemolyse, kan optreden. Controleer patiënten na vaccinatie nauwlettend op PNH-symptomen.

De gevoeligheid voor infecties met andere ingekapselde bacteriën kan verhoogd zijn. Vaccineer tegen Streptococcus pneumoniae en Haemophilus influenzae type b ten minste 2 weken voorafgaand aan start crovalimab. Geef bij niet-gevaccineerde patiënten die direct crovalimab nodig hebben het vaccin zo snel mogelijk en start profylactisch antibiotica bij aanvang van de behandeling tot 2 weken na vaccinatie of langer.

Controleer bij actieve systemische infecties op symptomen van verergering van de infectie.

Controleer op type III-overgevoeligheidsreacties gedurende de eerste 30 dagen na het overstappen van eculizumab of ravulizumab op crovalimab (of vice versa). Door vorming van immuuncomplexen kunnen immuuncomplexgemedieerde reacties type III optreden, zoals artralgie en andere skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen, huiduitslag en andere huid- en onderhuidaandoeningen, koorts, asthenie/vermoeidheid, problemen met het maag-darmstelsel, hoofdpijn en axonale neuropathie. Overweeg bij lichte of matige reacties een symptomatische behandeling (bijvoorbeeld lokale corticosteroïden, antihistaminica, antipyretica en/of analgetica). Geef bij ernstige reacties een orale of parenterale behandeling met corticosteroïden.

Bij patiënten die overstappen van een andere behandeling met C5-remmers wordt een tijdelijke verhoging van de klaring waargenomen door de vorming van de immuuncomplexen. Dit leidt tot een snellere eliminatie van crovalimab. Deze tijdelijke verhoging van de klaring is echter niet klinisch relevant en vereist geen dosisaanpassing bij patiënten die overschakelen van een andere C5-remmer.

Bij infusie- en injectiegerelateerde reacties: bij een infusiegerelateerde reactie de infusie vertragen of behandeling onderbreken. Instrueer patiënt/verzorger om bij een ernstige injectiegerelateerde reactie of bij een ernstige allergische reactie na intraveneuze of subcutane toediening, om onmiddellijk medische hulp te zoeken. Overleg of de behandeling kan worden voortgezet.

Controleer bij staken van de behandeling en niet overstappen op een andere behandeling voor PNH op ernstige intravasculaire hemolyse, gekenmerkt door verhoogde niveaus van lactaatdehydrogenase (LDH), in combinatie met een plotselinge afname van de grootte van de PNH-kloon of hemoglobine, of een terugkeer van symptomen zoals vermoeidheid, hemoglobinurie, buikpijn, kortademigheid, ernstige vasculaire bijwerkingen (waaronder trombose), dysfagie of erectiestoornis. Overweeg het opnieuw starten van een gepaste behandeling bij tekenen en symptomen van hemolyse na stopzetting, waaronder verhoogd LDH.

Ontwikkeling van antilichamen tegen het geneesmiddel (anti-drug antibodies, ADA’s) kan leiden tot verminderde blootstelling aan en verlies van werkzaamheid van crovalimab. Controleer regelmatig op verminderde werkzaamheid, waaronder ernstige intravasculaire hemolyse. Houd rekening met mogelijke ontwikkeling van ADA’s bij aanhoudende ernstige intravasculaire hemolyse ondanks goede therapietrouw. Overweeg overstap naar alternatieve behandeling. Instrueer patiënten/verzorgers om onmiddellijk medische hulp te zoeken bij tekenen van verslechtering van PNH.

Controleer regelmatig het lichaamsgewicht, indien nodig. Pas bij ≥ 10% verandering in lichaamsgewicht waarbij het gewicht consistent hoger of lager wordt dan 100 kg, de onderhoudsdosis aan.

Interacties Bron: KNMP/Informatorium Medicamentorum

Interacties immuunmodulatiantia algemeen

Relevant:
Levende vaccins 
Bij immunomodulantia met immunosuppressieve werking* kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectie veroorzaken. De NVR-richtlijn Biologicals ontraadt vaccinatie met levende micro-organismen tijdens gebruik van deze middelen. 

Bij sommige middelen adviseert de fabrikant het middel een bepaalde termijn voorafgaand aan de vaccinatie met levende micro-organismen te staken, en na een bepaalde termijn te hervatten. Ook ontraadt de fabrikant van sommige middelen vaccinatie met levende micro-organismen bij neonaten, zoals het BCG- en Rotavirus-vaccin. Voor meer informatie wordt verwezen naar de stofteksten van de individuele stoffen.

Niet-levende vaccins : 
Tijdens gebruik van middelen met immunosuppressieve werking* kunnen vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen minder effectief zijn door een verminderde immuunrespons. In sommige gevallen kan het vaccin herhaald worden of kan een titerbepaling worden gedaan. Zie ook de LCI-richtlijn Vaccinatie bij chronisch inflammatoire aandoeningen.

Immunocyanine: 
De werking van immunocyanine kan worden verminderd door middelen met een immunosuppressieve werking*.

*De volgende immunomodulantia hebben een immunosuppressieve werking: 

  • Calcineurineremmers: voclosporine.
  • Immunomodulantia bij transplantatie: azathioprine, basiliximab, belatacept, ciclosporine, everolimus, imlifidase, mycofenolzuur, sirolimus, tacrolimus en thymocytenimmunoglobuline.
  • Immunomodulantia tegen lymfocyten: abatacept, alemtuzumab, belimumab, inebilizumab, leflunomide, lymfocytenimmunoglobuline, natalizumab, ocrelizumab, ofatumumab, teriflunomide en ublituximab.
  • Interleukineremmers: anakinra, bimekizumab, brodalumab, canakinumab, guselkumab, ixekizumab, lebrikizumab, mirikizumab, risankizumab, sarilumab, satralizumab, secukinumab, spesolimab, tildrakizumab, tocilizumab, tralokinumab en ustekinumab.
  • JAK-remmers: abrocitinib, baricitinib, deucravacitinib, filgotinib, ritlecitinib, tofacitinib en upadacitinib.
  • Sfingosine-1-fosfaat-receptormodulatoren: etrasimod, fingolimod, ozanimod, ponesimod en siponimod.
  • TNF-alfa-antagonisten: adalimumab, certolizumab pegol, etanercept, golimumab en infliximab.
  • Overige Immunomodulantia: anifrolumab, apremilast, avacopan, crovalimab, diroximelfumaraat, eculizumab, efgartigimod alfa, iptacopan, pegcetacoplan, pirfenidon, ravulizumab, rozanolixizumab, sutimlimab, temsirolimus en zilucoplan. 
     
    Geen interactie:
    In de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met allergenen.

Deze pagina geeft een overzicht van geneesmiddelen uit dezelfde ATC groep. Let op: Dit betekent niet per definitie dat deze middelen onderling uitwisselbaar zijn.

Referenties

  1. Roche Registration GmbH, SmPC Piasky (EU/1/24/1848) Rev3; 21-10-2025, www.ema.europa.eu
  2. Zorginstituut Nederland, Farmacotherapeutisch Kompas (Eigenschappen, Contra-Indicaties, Bijwerkingen, Waarschuwingen en Voorzorgen), Geraadpleegd 30 jan 2026
  3. KNMP Informatorium Medicamentorum, (interacties, verminderde nierfunctie), Geraadpleegd 30 jan 2026

Wijzigingen

  • 12 februari 2026 08:59: NIEUWE MONOGRAFIE

Therapeutic Drug Monitoring


Overdosering