Recombinant humaan IgG4 monoklonaal antilichaam dat de signaaltransductie blokkeert via de type I-receptor (IL-4Rα/γc) voor IL-4 en via de type II-receptor (IL-4Rα/IL13Rα) voor zowel IL-4 als IL-13. IL-4 en IL-13 zijn type 2-cytokinen (inclusief Th2) die een belangrijke rol spelen bij ziekten met ontsteking type 2, zoals atopisch eczeem, astma en CRSwNP.
Atopische dermatitis
Op basis van farmacokinetische populatieanalyse had de leeftijd geen invloed op de klaring van dupilumab bij volwassenen en pediatrische patiënten in de leeftijd van 6 tot en met 17 jaar oud. Bij pediatrische patiënten in de leeftijd van 6 maanden tot en met 5 jaar oud nam de klaring toe met de leeftijd, maar hier wordt rekening mee gehouden in het aanbevolen doseringsschema.
Bij adolescenten van 12 tot en met 17 jaar met atopische dermatitis die eenmaal per twee weken een dosering kregen (Q2W) met ofwel 200 mg (< 60 kg) of 300 mg (≥ 60 kg), was de gemiddelde ±SD steady state-dalconcentratie van dupilumab 54,5±27,0 mcg/ml.
Bij kinderen van 6 tot en met 11 jaar oud met atopische dermatitis die de dosering van om de vier weken (Q4W) 300 mg (≥ 15 kg) ontvingen in AD-1652, was de gemiddelde ± SD steady-state-dalconcentratie 76,3±37,2 mcg/ml. In Week 16 in onderzoek AD-1434 bij kinderen van 6 tot en met 11 jaar oud die startten met de dosering van om de vier weken (Q4W) 300 mg (≥ 15 kg), en bij wie de dosis werd verhoogd naar de dosering van om de twee weken (Q2W) 200 mg (≥ 15 tot < 60 kg) of 300 mg (≥ 60 kg), was de gemiddelde ±SD steady-state-dalconcentratie 108±53,8 mcg/ml. Bij kinderen van 6 tot en met 11 jaar oud die 300 mg Q4W ontvingen, gaven initiële doses van 300 mg op dagen 1 en 15 een gelijkaardige steady-state-blootstelling als een initiële dosis van 600 mg op dag 1, gebaseerd op FK simulaties.
Bij kinderen in de leeftijd van 6 maanden tot en met 5 jaar oud met atopische dermatitis die om de vier weken (Q4W) een dosis kregen van 300 mg (≥ 15 tot < 30 kg) of 200 mg (≥ 5 tot < 15 kg) bedroeg de gemiddelde ± SD steady-state-dalconcentratie respectievelijk 110±42,8 mcg/ml en 109±50,8 mcg/ml.
Astma
In totaal werden 107 adolescenten in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar met astma geïncludeerd in het QUEST-onderzoek. De gemiddelde ±SD steady-state-dalspiegels van dupilumab waren respectievelijk 107±51,6 mcg/ml en 46,7±26,9 mcg/ml voor 300 mg of 200 mg, eenmaal per twee weken toegediend. Er werd geen leeftijdsgerelateerd farmacokinetisch verschil waargenomen bij adolescenten na correctie voor
lichaamsgewicht.
In het VOYAGE-onderzoek werd de farmacokinetiek van dupilumab onderzocht bij 270 patiënten met matig tot ernstig astma na subcutane toediening van 100 mg Q2W (bij 91 kinderen met een gewicht van <30 kg) of 200 mg Q2W (bij 179 kinderen met een gewicht van ≥ 30 kg). Het distributievolume voor dupilumab van ongeveer 3,7 l werd geschat aan de hand van farmacokinetische populatieanalyse. Steady state-concentraties werden bereikt in Week 12. De gemiddelde ± SD steady-state-dalconcentratie was respectievelijk 58,4 ± 28,0 mcg/ml en 85,1 ± 44,9 mcg/ml. Simulatie van een subcutane dosis van 300 mg Q4W bij kinderen van 6 tot en met 11 jaar met een lichaamsgewicht van ≥ 15 kg tot < 30 kg en van ≥ 30 kg tot < 60 kg resulteerde in voorspelde steady-state-dalconcentraties die vergelijkbaar waren met de waargenomen dalconcentraties van respectievelijk 200 mg Q2W (≥ 30 kg) en 100 mg Q2W (< 30 kg). Bovendien resulteerde de simulatie van een subcutane dosis van 300 mg Q4W bij kinderen van 6 tot en met 11 jaar met een lichaamsgewicht van ≥ 15 kg tot < 60 kg in voorspelde steady-state-dalconcentraties die vergelijkbaar waren met de concentraties waarvan is aangetoond dat ze werkzaam zijn bij volwassenen en adolescenten. Na de laatste steady-state-dosis was de mediane tijd tot daling van dupilumabconcentraties tot onder de laagste detectielimiet, geschat aan de hand van farmacokinetische populatieanalyse, 14 tot 18 weken voor 100 mg Q2W, 200 mg Q2W of 300 mg Q4W.
Eosinofiele oesofagitis
In totaal werden 35 adolescenten van 12 tot en met 17 jaar met eosinofiele oesofagitis van ≥ 40 kg geïncludeerd in TREET deel A en B, en ze kregen eenmaal per week 300 mg toegediend (QW). De gemiddelde ± SD steady-state-dalconcentratie van dupilumab was 227 ± 95,3 mcg/ml.
In een klinisch onderzoek (EoE KIDS deel A) werd de farmacokinetiek van dupilumab onderzocht bij 36 kinderen van 1 tot en met 11 jaar met EoE die dupilumab kregen [ ≥5 tot <15 kg (100 mg Q2W), ≥15 tot <30 kg (200 mg Q2W) en ≥30 tot <60 kg (300 mg Q2W)], de gemiddelde ± SD steady-state dalconcentratie van dupilumab was 163±60,8 mcg/ml.
Simulaties voor pediatrische patiënten van 1 tot en met 11 jaar werden uitgevoerd met een populatiefarmacokinetisch model om de dalconcentraties van dupilumab bij steady-state als volgt te voorspellen: ≥15 tot <30 kg die 200 mg Q2W (170±78 mcg/ml) kregen; ≥30 tot <40 kg die 300 mg Q2W (158±63 mcg/ml) kregen; of ≥40 kg die 300 mg QW (276±99 mcg/ml) kregen. Steady-state dalconcentraties werden ook gesimuleerd voor volwassen en pediatrische patiënten van 12 tot en met 17 jaar en patiënten van ≥30 tot <40 kg die 300 mg Q2W (159±61 mcg/ml) kregen.
CSU
Het gebruik van dupilumab 200 mg Q4W, 300 mg Q4W of 200 mg Q2W bij pediatrische patiënten van 2 tot en met 11 jaar met CSU met een lichaamsgewicht <60 kg wordt ondersteund door een farmacokinetische populatieanalyse.
In totaal namen 12 adolescenten van 12 tot en met 17 jaar met CSU deel aan CUPID-onderzoek A, B en C. De waargenomen steady-statedalconcentraties van de 5 adolescenten met CSU die 300 mg dupilumab Q2W of 200 mg dupilumab Q2W toegediend kregen gedurende 24 weken, vielen binnen het bereik van de individuele steady-statedalconcentraties bij volwassen patiënten met CSU die 300 mg dupilumab Q2W kregen gedurende 24 weken.
In totaal werden 20 kinderen van 2 tot en met 11 jaar met CSU geïncludeerd in de PKM16982- en CUPID-onderzoeken (A en C). In week 24 was de waargenomen gemiddelde steady-state dalconcentratie ± SD van de 18 pediatrische patiënten van 2 tot en met 11 jaar met CSU die dupilumab 200 mg Q4W, 300 mg Q4W of 200 mg Q2W kregen 91,1 ± 39,4 mcg/ml.
[SmPC Dupixent]
injectievloeistof, voorgevulde spuit 150 mg/ml; 2 ml (300 mg)
injectievloeistof, voorgevulde spuit 175 mg/ml; 1,14 ml (200 mg)
injectievloeistof, voorgevulde pen 150 mg/ml; 2 ml (300 mg)
injectievloeistof, voorgevulde pen 175 mg/ml; 1,14 ml (200 mg)
dupilumab in voorgevulde pen (Dupixent®) is geschikt voor gebruik voor bij kinderen vanaf 2 jaar;
dupilumab in voorgevulde spuit (Dupixent®) is geschikt voor gebruik bij kinderen vanaf 6 maanden.
Ga snel naar:
| Matig-ernstig tot ernstig constitutioneel eczeem |
|---|
|
| Eosinofiel astma met type 2 inflammatie, als adjuvans |
|---|
|
| Eosinofiele oesofagitis |
|---|
| Chronische spontane urticaria |
|---|
|
Er zijn geen gegevens bekend over doseeraanpassing bij nierfunctiestoornissen.
Het waargenomen veiligheidsprofiel is vergelijkbaar met dat van volwassenen [SmPC Dupixent].
Vaak (1-10%): reactie op de injectieplaats zoals pijn, zwelling, jeuk en erytheem. (Allergische) conjunctivitis. Orale herpes. Eosinofilie. Artralgie.
Soms (0,1-1%): keratitis, blefaritis, oculaire jeuk, droog oog. Huiduitslag in gezicht. Angio-oedeem. Keratitis.
Zelden (0,01-0,1%): serumziekte/serumziekte-achtige verschijnselen, anafylactische reactie. Ulceratieve keratitis.
Verder zijn gemeld: artralgie.
Oogaandoeningen en orale herpes kwamen vooral voor in onderzoeken naar CE waarbij vaak oculaire jeuk, droog oog en blefaritis en soms ulceratieve keratitis.
Bijkomende bijwerkingen, met name verharding op de injectieplaats, huiduitslag op de injectieplaats en dermatitis op de injectieplaats werden gemeld bij COPD.
Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb
Gevallen van enterobiase zijn gemeld bij kinderen van 6 tot 12 jaar met matig tot ernstig astma. Bij intestinale worminfecties kan dupilumab een negatieve invloed hebben op de reactie van het immuunsysteem; daarom vóór aanvang van de behandeling bestaande intestinale worminfecties behandelen. Stop dupilumab als tijdens de behandeling een worminfectie optreedt die niet goed reageert op behandeling.
Ernstige overgevoeligheidsreacties (vanaf enkele minuten tot maximaal 7 dagen na injectie) zijn gemeld, waaronder zeer zelden serumziekte/serumziekte-achtige symptomen. Laat de patiënt zich direct melden bij eerste symptomen van een overgevoeligheidsreactie; staak de toediening onmiddellijk bij een ernstige overgevoeligheidsreactie (onmiddellijk of vertraagd) en stel een passende therapie in.
Bij astma of COPD niet gebruiken voor het behandelen van acute symptomen of acute exacerbaties van astma of COPD, bronchospasmen of status asthmaticus.
Comorbide astma-behandeling niet aanpassen of stopzetten zonder overleg. Na staken van dupilumab de patiënt met comorbide astma zorgvuldig volgen.
Bij intestinale worminfecties kan dupilumab een negatieve invloed hebben op de reactie van het immuunsysteem; daarom vóór aanvang van de behandeling bestaande intestinale worminfecties behandelen. Stop dupilumab als tijdens de behandeling een worminfectie optreedt die niet goed reageert op behandeling. Gevallen van enterobiasis zijn gemeld bij kinderen van 6 tot 12 jaar met matig tot ernstig astma.
Aan conjunctivitis of keratitis gerelateerde voorvallen zijn gemeld, waaronder visuele stoornissen. Adviseer om nieuw opgetreden of verergerende oogsymptomen te melden. Bij het ontwikkelen van een onbehandelbare conjunctivitis of tekenen en symptomen van keratitis tijdens de behandeling, oogonderzoek laten uitvoeren.
Type 2-ontstekingsbiomarkers kunnen worden onderdrukt door systemisch gebruik van corticosteroïden. Gebruik van corticosteroïden niet abrupt staken maar geleidelijk afbouwen. Systemische ontwenningssymptomen en/of aandoeningen kunnen zichtbaar worden.
Ernstige systemische eosinofilie kan optreden bij patiënten die behandeld worden voor astma, soms met eosinofiele pneumonie en vasculitis die overeenkomt met eosinofiele granulomatose met polyangiitis (EGPA). Gevallen van vasculitis met EGPA zijn ook gemeld bij volwassen patiënten met CRSwNP en comorbide astma. Het kan samenhangen met het verlagen van de behandeling met orale corticosteroïden. Let op vasculitische uitslag, verslechterende pulmonale symptomen, cardiale complicaties en/of neuropathie.
Vorming van neutraliserende antistoffen is gemeld. Het heeft in het algemeen geen invloed op blootstelling aan dupilumab, veiligheid en werkzaamheid.
Niet beoordeeld:
Kan worden gecombineerd met niet-levende vaccins.
De NVDV-Richtlijn Constitutioneel eczeem adviseert om levende of verzwakte vaccins ten minste 4 weken voorafgaand aan dupilumab toe te dienen. Als vaccinatie tijdens de behandeling met dupilumab nodig is, dan de behandeling met één dosisinterval onderbreken en deze 4 weken later hervatten.
Immuunmodulantie algemeen
Relevant:
Bij immunomodulantia met immunosuppressieve werking* kan vaccinatie met levende micro-organismen een gegeneraliseerde infectie veroorzaken. De NVR-richtlijn Biologicals ontraadt vaccinatie met levende micro-organismen tijdens gebruik van deze middelen.
Bij sommige middelen adviseert de fabrikant het middel een bepaalde termijn voorafgaand aan de vaccinatie met levende micro-organismen te staken, en na een bepaalde termijn te hervatten. Ook ontraadt de fabrikant van sommige middelen vaccinatie met levende micro-organismen bij neonaten, zoals het BCG- en Rotavirus-vaccin. Voor meer informatie wordt verwezen naar de stofteksten van de individuele stoffen.
Niet-levende vaccins (zie inleidende tekst Vaccins, Algemene opmerkingen):
Tijdens gebruik van middelen met immunosuppressieve werking* kunnen vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen minder effectief zijn door een verminderde immuunrespons. In sommige gevallen kan het vaccin herhaald worden of kan een titerbepaling worden gedaan. Zie ook de LCI-richtlijn Vaccinatie bij chronisch inflammatoire aandoeningen.
Immunocyanine:
De werking van immunocyanine kan worden verminderd door middelen met een immunosuppressieve werking*.
*De volgende immunomodulantia hebben een immunosuppressieve werking:
Geen interactie:
In de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met allergenen.
Deze pagina geeft een overzicht van geneesmiddelen uit dezelfde ATC groep. Let op: Dit betekent niet per definitie dat deze middelen onderling uitwisselbaar zijn.
| OVERIGE DERMATOLOGICA | ||
|---|---|---|
| D11AX | ||
| MIDDELEN VOOR DERMATITIS, EXCL. CORTICOSTEROIDEN | ||
|---|---|---|
|
Cibinqo
|
D11AH08 | |
|
Elidel
|
D11AH02 | |
|
Protopic
|
D11AH01 | |
|
Adtralza
|
D11AH07 | |