Via DNA-recombinanttechniek vervaardigd polypeptide, dat overeenkomt met humaan hypofysair groeihormoon. Oefent de meeste werking uit via insuline-achtige groeifactor 1 (IGF-1), dat wordt geproduceerd in weefsels in het hele lichaam, vooral in de lever. Stimuleert de groei van de epifysairschijf in de lange beenderen; ook andere weefsels dan bot, zoals bindweefsel, huid, skeletspieren, thymus, lever, gonaden en (bij)nier kunnen in omvang toenemen. Bevordert de eiwitsynthese en beïnvloedt het vet- en koolhydraatmetabolisme en de mineraalhuishouding. Bij kinderen stimuleert het de lengtegroei en verhoogt het de groeisnelheid zolang de epifysairschijven nog niet gesloten zijn. Bij volwassenen verlaagt het de vetmassa, vergroot het de spiermassa, verhoogt het de minerale botdichtheid en verbetert het de energie, de vitaliteit en het subjectief welbevinden en normaliseert het de serum-IGF-1-(somatomedine-C-)concentratie. 1 mg somatropine = 3 IE somatropine.
De PK van kinderen is vergelijkbaar met die van volwassenen [SmPC NutropinAq] [FDA Humatrope].
Bij volwassenen gelden de volgende PK-parameters:
| Referentie | Dosering (SC/IV) | Cmax (μg/L) | Tmax (h) | Vd (mL/kg) | T½ (h) |
| SmPC Genotropin; Norditropin; Omnitrope; NutropinAq | SC: 0,035 mg/kg | 13-35 | 3-6 | 50 | 2-3 |
| SmPC Genotropin; Norditropin; Omnitrope; NutropinAq | SC: 5 mg | 71±24 | 2-8 | 50 | 2-3 |
| SmPC Norditropin | IV: 33 ng/kg/min | 67,6±14,6 | 0.35-0,40 |
Bij kinderen gelden de volgende PK-parameters:
| Referentie | Leeftijd (jaren) | N= | Dosering (SC, mg/kg/dag) | Cmax (μg/L) | Tmax (h) | AUC (interval) | V/F (L) | CL/F (L/h) | T½, abs (h) |
| Houdijk 1997 | Gemiddelde 16 | 16 | 0,022 | Gemiddelde 18,8 (5,8–45,7; 95% CI 12,9–24,7) | Gemiddelde 5,3 (2,0–9,6; 95% CI 4,0–6,6) | Gemiddelde 158,5 μg·h/L (AUC₀–∞); 50,9–413,0; 95% CI 111–205) |
|||
| Lundberg 2018 | Mediaan 10,1 (1,9-15,8) | 87 | 0,033 | Mediaan 21 | Mediaan 464 mU·h/L (16 h) | ||||
| Lundberg 2018 | Mediaan 10,1 (1,9-15,8) | 41 | 0,066 | Mediaan 34 | Mediaan 865 mU·h/L (16 h) | ||||
| Papathanasiou 2021 | Gepoolde kinderen: (N=15; mean 8,2, 6–11) + volwassenen (N=7) | 22 | 0,030–0,035 | 28,2 (95% CI 17,1–39,3) | 24,7 (95% CI 16,2–33,2) | 5.6* |
* Berekend met ln2 / Ka (=0,122)
Er is een aanzienlijke interindividuele variabiliteit in de farmacokinetiek van groeihormoon (GH) bij kinderen, terwijl de intra-individuele variatie minder uitgesproken is [Houdijk 1997] [Lundberg 2018]. Na subcutane toediening kan de absorptie bij kinderen iets langzamer verlopen, wat resulteert in een latere piekconcentratie en soms een langere schijnbare halfwaardetijd (5,6 uur) als gevolg van flip-flop-kinetiek; de totale systemische blootstelling blijft echter voorspelbaar bij dosering op basis van het gewicht. Volgens een PopPK-studie gaat een hoger lichaamsgewicht gepaard met een lagere dosisgenormaliseerde GH-blootstelling. Wanneer rekening wordt gehouden met de invloed van het lichaamsgewicht, werden geen extra verschillen in PK gevonden tussen kinderen en volwassenen [Papathanasiou 2021].
Inj.vlst. 3,33 mg/ml, 6,67 mg/ml, 10 mg/ml patroon 1,5 ml
Inj.vlst. 5 mg/ml patroon 2 ml
Inj.vlst. 3,33 mg/ml, 6,67 mg/ml pen
Poeder voor inj.vlst. 5 mg, 12 mg
Omnitrope inj.vlst. 3,33 mg/ml bevat benzylalcohol 9 mg/ml.
Metacresol, in Genotropin, is in verband gebracht met zeer zelden optredende myositis. Als bij optreden van myalgie of onevenredige pijn op de plaats van injectie de diagnose myositis wordt gesteld, ga dan over op een formulering zonder metacresol.
Ga snel naar:
| Groeistoornis ten gevolge van groeihormoondeficiëntie, neonatale hypoglykemie als gevolg van GH-deficiëntie |
|---|
| Groeistoornis ten gevolge van het Prader Willi syndroom |
|---|
| Groeistoornis ten gevolge van chronische nierinsufficiëntie |
|---|
| Groeistoornis ten gevolge van het Silver-Russell-syndroom |
|---|
| Groeistoornis ten gevolge van een te laag geboortegewicht (SGA), het Kabuki-syndroom of een GHSR-mutatie |
|---|
| Groeistoornis ten gevolge van het syndroom van Turner, SHOX-deficiëntie, ACAN-mutatie of het syndroom van Noonan |
|---|
GFR ≥10 ml/min/1.73m2: aanpassing van de dosering is niet nodig.
GFR <10 ml/min/1.73m2: een algemeen advies kan niet worden gegeven.
Vaak (1-10%): perifeer oedeem. Artralgie, myalgie.
Soms (0,1-1%): stijfheid in extremiteiten. Hoofdpijn, benigne intracraniële hypertensie, paresthesie.
Zelden (0,01-0,1%): hypertensie. Slapeloosheid.
Verder zijn gemeld: epifysiolyse van de femurkop en de ziekte van Legg-Calvé-Perthes, het is onduidelijk of deze bijwerkingen verband houden met de onderliggende aandoening of met de behandeling met somatropine. Gevallen van leukemie zijn gemeld bij kinderen met GH-deficiëntie; echter er is geen bewijs dat de incidentie van leukemie is verhoogd zonder de aanwezigheid van predisponerende factoren.
Bij twee puberale kinderen met ACAN-mutaties werd milde scoliose gemeld [Renes 2024].
Zeer vaak (> 10%): perifeer oedeem. Milde hyperglykemie. Artralgie, myalgie. Hoofdpijn, paresthesie.
Vaak (1-10%): stijfheid in extremiteiten. Slapeloosheid. Carpale–tunnelsyndroom.
Soms (0,1-1%): hypertensie. Diabetes mellitus type 2.
Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb
De start van de behandeling en de monitoring moeten altijd worden uitgevoerd door een kinderarts-endocrinoloog (of nefroloog als de indicatie chronische nierinsufficiëntie is). De belangrijkste parameters voor het beoordelen van de effectiviteit van groeihormoontherapie zijn de verandering in lengte-SDS en groeisnelheid. IGF-I-spiegels zijn essentieel voor het monitoren van de biologische respons en het aanpassen van de dosering [Wakeling 2017]. Artsen moeten altijd de lokale of nationale protocollen raadplegen voor de juiste monitoring van metabole en andere relevante parameters, aangezien de aanbevelingen per richtlijn kunnen verschillen en moeten worden afgestemd op de specifieke indicatie.
Wissel van injectieplaatsen om weefselveranderingen zoals lipoatrofie of lipohypertrofie te voorkomen [SmPC Omnitrope].
Het serumcortisol kan dalen door behandeling met somatropine; eerder niet-gediagnosticeerd centraal (secundair) hypoadrenalisme kan worden vastgesteld, en glucocorticoïd substitutietherapie kan nodig zijn.
Monitor de schildklierfunctie bij alle patiënten. Somatropine verhoogt namelijk de perifere dejodering van T4 naar T3 en kan zo een beginnende hypothyroïdie aan het licht brengen. Volg bij patiënten met hypothyroïdie de standaard suppletietherapie nauwlettend bij behandelen met somatropine.
Verricht fundoscopie op papiloedeem bij ernstige of terugkerende hoofdpijn, visusproblemen, misselijkheid en/of braken. Overweeg bij aanwezigheid van papiloedeem het bestaan van benigne intracraniële hypertensie en onderbreek zo nodig de groeihormoontherapie. Bij het hervatten van de therapie is zorgvuldige controle nodig.
Controleer op symptomen van glucose-intolerantie tijdens behandeling. Wees voorzichtig bij diabetes mellitus vanwege een diabetogene werking van groeihormoon; na instellen van somatropinebehandeling kan een hogere dosis insuline nodig zijn. Behandeling met somatropine is niet aangewezen bij diabetici met actieve proliferatieve of ernstige niet–proliteratieve retinopathie.
Bij aanhoudend oedeem of ernstige paresthesie de dosering verlagen om ontwikkeling van het carpale-tunnelsyndroom te voorkomen.
Bij het uitblijven van een respons moeten antilichamen worden bepaald en bij stijgende titers tevens de bindingscapaciteit.
Leukemie is gemeld bij een klein aantal kinderen met groeihormoondeficiëntie; echter er is geen bewijs dat de incidentie van leukemie is verhoogd zonder de aanwezigheid van predisponerende factoren, zoals bestraling van het hoofd of de hersenen.
Bij een voorgeschiedenis van jeugdkanker is de kans op een tweede neoplasma vergroot door behandeling met somatropine; vooral intracraniële tumoren (met name meningeomen) kunnen optreden bij patiënten die aan het hoofd zijn bestraald voor hun eerste neoplasma. Bij volledige remissie van een maligne aandoening, zorgvuldig controleren op een mogelijk recidief nadat de behandeling met groeihormoon is begonnen.
Bij groeihormoondeficiëntie door een intracraniële laesie regelmatig onderzoeken op progressie van de aandoening.
Epifysiolyse van de femurkop kan vaker voorkomen bij een endocriene stoornis, waaronder groeihormoondeficiëntie, dan bij de algemene populatie. Mank lopen en heup- of kniepijn kunnen hierop duiden.
Houd rekening met pancreatitis (hoewel zeldzaam) bij optreden van buikpijn, vooral bij kinderen.
Controleer op tekenen van scoliose tijdens behandeling, omdat dit bij ieder snelgroeiend kind kan verergeren.
Er is een verhoogde mortaliteit aangetoond bij patiënten met een acute levensbedreigende aandoening die werden behandeld met een hoge dosering somatropine (5,3-8 mg/dag), ten opzichte van placebo. Het betrof patiënten met complicaties van openhartoperatie, buikoperatie, meervoudig trauma veroorzaakt door een ongeval of acute ademhalingsinsufficiëntie. Er zijn geen gegevens over de veiligheid van het continueren van groeihormoonsuppletie bij een gelijktijdige acute levensbedreigende aandoening.
Niet beoordeeld:
De groeibevorderende werking van somatropine kan worden geremd door glucocorticoïden. De werking van corticosteroïden kan verminderen door somatropine.
Hoge doses androgenen en oestrogenen kunnen het bot versneld doen rijpen; hierdoor kan de groei worden geremd.
Deze pagina geeft een overzicht van geneesmiddelen uit dezelfde ATC groep. Let op: Dit betekent niet per definitie dat deze middelen onderling uitwisselbaar zijn.
| CORTICOTROFINE | ||
|---|---|---|
|
Synacthen
|
H01AA02 | |
| SOMATROPINE EN SOMATROPINE-AGONISTEN | ||
|---|---|---|
|
Increlex
|
H01AC03 | |
|
Sogroya
|
H01AC07 | |
|
Ngenla
|
H01AC08 | |