Fludrocortison

Stofnaam
Fludrocortison
Merknaam
Florinef
ATC code
H02AA02
Algemeen
Doseringen
Nierfunctiestoornissen
Soortgelijke geneesmiddelen
Bijwerkingen
Contraindicaties
Waarschuwingen en voorzorgen
Interacties
Referenties
Wijzigingen

Label dosisadvies Kinderformularium

Doseringen tot 0,1 mg/dag: On-label

Toon SmPC tekst

SmPC tekst

Adrenogenitaal syndroom met zoutverlies: Pediatrische patiënten en adolescenten: 0,05 -0,1 mg
per dag.

Beschikbare toedieningsvormen/sterktes

Tablet (acetaat) 31,25 microg., 62.5 microg, 100 microg,

Eigenschappen

Synthetisch adrenocorticosteroïd met mineralocorticoïde eigenschappen. Het heeft ook een glucocorticoïde werking; deze is echter gering in verhouding tot het mineralocorticoïd effect.

Kinetische gegevens

Geen informatie

Doseringen

Indicatie: Primaire bijnierschors insufficientie
  • Oraal
    • 1 maand tot 18 jaar
      [3]
      • 50 - 150 microg./dag in 2 doses
      • Kinderen jonger dan 1 jaar: fludrocortison in combinatie met extra zout (0,2 g/kg/dag, verdeeld over de dag)

Nierfunctiestoornissen bij kinderen > 3 maanden

Er zijn geen gegevens bekend over doseeraanpassing bij nierfunctiestoornissen.

CORTICOSTEROIDEN VOOR SYSTEMISCH GEBRUIK

GLUCOCORTICOIDEN

Dexamethason

Oradexon
H02AB02

Hydrocortison

Hydrocortison oraal, IV; Solu-Cortef
H02AB09

Methylprednisolon

Solu-medrol
H02AB04
H02AB06

Triamcinolon (injectievloeistof)

Kenacort A, Lederspan
H02AB08
H02AB08
GLUCOCORTICOIDEN

Dexamethason

Oradexon
H02AB02

Hydrocortison

Hydrocortison oraal, IV; Solu-Cortef
H02AB09

Methylprednisolon

Solu-medrol
H02AB04
H02AB06

Triamcinolon (injectievloeistof)

Kenacort A, Lederspan
H02AB08
H02AB08

Bijwerkingen bij volwassenen

Bijwerkingen treden vooral op bij langdurig gebruik van hoge doses of bij plotseling staken van de behandeling. Door de mineralocortïcoïde werking kunnen hypertensie, oedeem, vergroot hart, hartfalen, kaliumverlies en hypokaliëmische alkalose optreden. Psychische stoornissen zoals insomnia, depressie, euforie, wisselende gemoedstoestand, psychotische symptomen en persoonlijkheidsveranderingen. Menstruatiestoornissen, hyperaciditeit.

Meld bijwerkingen bij kinderen altijd bij Lareb

  • Bij kinderen worden veel geneesmiddelen off-label gebruikt. Alle ervaringen zijn belangrijk om te melden om zo meer kennis te verzamelen en te delen
  • Ook wanneer u niet zeker weet of de bijwerking echt door het geneesmiddel komt
Meld hier

Contraindicaties bij volwassenen

Acute virusinfecties (m.n. herpes oculi). Systemische schimmelinfecties. Onbehandeld hartfalen.

Waarschuwingen en voorzorgen bij kinderen

In verband met de groeiremmende werking van corticosteroïden de groei en ontwikkeling van kinderen en adolescenten nauwkeurig volgen.

Waarschuwingen en voorzorgen bij volwassenen

Terughoudendheid is geboden bij ulcus of psychiatrische stoornissen in de anamnese, hypertensie en ernstige osteoporose. Tijdens behandeling zowel de dosering als de zoutinname nauwlettend controleren om ontstaan van hypertensie, oedeem of gewichtstoename te voorkomen. Bij langdurige therapie tevens de elektrolytspiegels controleren. Voorzichtigheid is geboden bij niet-specifieke ulceratieve colitis, diverticulitis, recente intestinale anastomosen, ulcus pepticum, nierinsufficiëntie, hypertensie, hartfalen, tromboflebitis, trombo-embolie, exantheem, cushingsyndroom, diabetes mellitus, convulsies, gemetastaseerd carcinoom en ernstige spierzwakte. Bij langdurige corticosteroïdbehandeling is een adequate eiwitinname van belang om de neiging tot gewichtsverlies of spiervermindering/-verzwakking, gepaard gaand aan een negatieve stikstofbalans, tegen te gaan. Door verhoogde calciumexcretie kan osteoporose optreden of verergeren. Gebruik kan bepaalde symptomen van een infectie maskeren en nieuwe infecties kunnen optreden tijdens gebruik. Tevens kan verminderde weerstand ontstaan en het onvermogen een infectie te lokaliseren. Het gebruik bij actieve tuberculose beperken tot fulminante of gedissemineerde gevallen, waarbij het corticosteroïd wordt gebruikt voor de behandeling van de ziekte in combinatie met een geschikt behandelschema. Bij gebruik bij latente tuberculose of tuberculinereactiviteit chemoprofylaxe toepassen. Langdurig gebruik van corticosteroïden kan het risico van secundaire ooginfecties verhogen en posterieur subcapsulair cataract of glaucoom veroorzaken met mogelijke beschadiging van de nervus opticus. Tijdens stress (zoals trauma, operatie of ernstige ziekte) dient een ondersteunende dosering te worden gegeven tijdens behandeling met fludrocortison en gedurende een jaar daarna. Bij hypothyroïdie of cirrose hebben corticosteroïden een sterker effect.  Corticosteroïden beïnvloeden de nitroblauwtetrazoliumtest voor bacteriële infecties, waardoor fout-negatieve uitslagen optreden.

Interacties

Interacties oraal, intraveneus, intramusculair, intra-articulair, intrabursaal, in de peesschede, intralaesionaal:
Relevant:
Afname corticosteroïden: enzyminductoren, zoals aminoglutethimide, carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne en rifampicine, kunnen de werking van glucocorticoïden verminderen. De interactie is alleen relevant wanneer glucocorticoïden langer dan twee weken worden gebruikt. Zowel bij starten als bij staken van de enzyminductor moet de glucocorticoïddosering zo nodig worden bijgesteld.
Overig effect:
glucocorticoïden kunnen de ulcerogene werking van NSAID's  versterken. Het risico op een peptisch ulcus neemt toe bij hogere leeftijd, hogere doses van NSAID's en chronisch gebruik van NSAID's. Preventieve maatregelen moeten worden overwogen. Vaccinatie met levende micro-organismen tijdens immunosuppressieve therapie kan een gegeneraliseerde infectie veroorzaken. De combinatie wordt bij voorkeur vermeden; dit geldt zolang het corticosteroïd immunosuppressie veroorzaakt, met name bij systemisch gebruik langer dan 2 weken, echter niet bij suppletie en niet bij lokale toepassing (behalve bij grote oppervlakken onder occlusie).
Niet beoordeeld:
Toename corticosteroïden: isoniazide kan het levermetabolisme van glucocorticoïden remmen; andersom kunnen corticosteroïden de isoniazideconcentratie verlagen. Ketoconazol kan het metabolisme van glucocorticoïden remmen. Corticosteroïden verminderen het effect van: glucocorticoïden kunnen de eliminatie van salicylaten versnellen. Glucocorticoïden kunnen de respons op somatropine verminderen.
Overig effect:
vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen zijn tijdens immunosuppressieve therapie minder effectief door een verminderde immuunrespons. Bij therapie met glucocorticoïden is zowel een verminderde werking van cumarinederivaten als een verhoogd risico op bloedingen gemeld. Door het hyperglykemische effect kan de behoefte aan bloedglucoseverlagende middelen toenemen. Oestrogenen kunnen het effect van corticosteroïden versterken. Gelijktijdige toediening van lisdiuretica, thiazidediuretica of amfotericine B kan leiden tot kaliumdepletie.
Na inhalatie en na tracheale, nasale, auriculaire, oculaire, rectale en cutane toediening zouden bovenstaande interacties kunnen optreden indien absorptie optreedt, maar tot op heden zijn er geen aanwijzingen voor klinisch relevante interacties.

Interacties corticosteroiden algemeen

Relevant:

Afname corticosteroïden: de plasmaconcentratie van corticosteroïden daalt door inductoren. De interactie is niet relevant bij een stootkuur.

Overig effect: glucocorticoïden (behalve fludrocortison) kunnen de ulcerogene werking van NSAID's versterken. Het risico op een peptisch ulcus neemt toe bij hogere leeftijd, hogere doses van NSAID's en chronisch gebruik van NSAID's. Preventieve maatregelen moeten worden overwogen, zie verder inleidende tekst NSAID's.

Het effect van cumarinederivaten kan worden versterkt door hoge doses glucocorticosteroïden (behalve fludrocortison).

Levende vaccins: vaccinatie met levende micro-organismen tijdens immunosuppressieve therapie kan een gegeneraliseerde infectie veroorzaken. De combinatie wordt bij voorkeur vermeden; dit geldt zolang het corticosteroïd immunosuppressie veroorzaakt, met name bij systemisch gebruik langer dan 2 weken, echter niet bij suppletie en niet bij lokale toepassing (behalve bij grote oppervlakken onder occlusie).

Niet-levende vaccins: tijdens gebruik van immunosuppressiva kunnen vaccinaties met gedode verwekker of afgeleid antigeen minder effectief zijn door een verminderde immuunrespons. In sommige gevallen kan het vaccin herhaald worden toegediend of kan een titerbepaling worden gedaan.

De werking van immunocyanine kan worden verminderd.

Geen interactie: in de literatuur is onvoldoende onderbouwing voor interactie met allergenen van natuurlijke oorsprong.

Niet beoordeeld: isoniazide kan het levermetabolisme van glucocorticoïden remmen; andersom kunnen corticosteroïden de isoniazideconcentratie verlagen.

Ketoconazol kan het metabolisme van glucocorticoïden remmen.

Glucocorticoïden kunnen de eliminatie van salicylaten versnellen.

Hoge doses corticosteroïden kunnen de werking van perifeer werkende spierrelaxantia verminderen en het risico op myopathie verhogen.

Glucocorticoïden kunnen de respons op somatropine verminderen.

Door het hyperglykemische effect kan de behoefte aan bloedglucoseverlagende middelen toenemen.

Oestrogenen kunnen het effect van corticosteroïden versterken.

Gelijktijdige toediening van lisdiuretica, thiazidediuretica of amfotericine B kan leiden tot kaliumdepletie.

Bij combinatie met ciclosporine kan de serumconcentratie van ciclosporine toenemen en de klaring van corticosteroïden afnemen.

 

Referenties

  1. ZorgInstituut Nederand, Farmacotherapeutisch Kompas (Eigenschappen, Contra-Indicaties, Bijwerkingen, Waarschuwingen en Voorzorgen), Geraadpleegd 23 okt 2014
  2. Informatorium Medicamentorum, (Interacties), Geraadpleegd 11 jun 2018
  3. Noordam C et al, Werkboek Kinderendocrinologie, digitale publicatie op www.nvk.nl (alleen leden), 2010

Wijzigingen